Herwaardering

Richard Nixon is nog net op tijd op de hoogte gesteld van de absolutie die het Amerikaanse volk hem had verleend om onbezwaard te kunnen sterven. Hendrik Colijn is dat geluk niet beschoren geweest. Als ik de historicus Jan de Bruijn, bijzonder hoogleraar aan de VU, goed begrepen heb, zit dat er voor Colijn vooreerst ook nog niet in. De Bruijn deed vorige week vrijdag in zijn oratie een poging het bezoedelde politieke beeld van Colijn schoon te bikken, maar gaf het halverwege op, onder aanroeping van Goethe, volgens wie het niet de taak van een historicus is om een volk zijn mythen af te nemen. Volgens De Bruijn is de leider van de antirevolutionairen uit het interbellum verdwenen in een web van negatieve mythen die hem zo hebben overwoekerd dat het deze generatie niet meer zal lukken zonder vooringenomenheid de ware Colijn te zien.

De Bruijn bepaalde zich onder meer tot de vraag waarom de tegenwoordige tijd nog steeds zo ongunstig over Colijn denkt, terwijl hij in zijn tijd toch ook buiten zijn eigen poliitieke kring zeer populair was. Colijn was immers de personificatie van de jaren dertig, the right man in the right place en “de enige politicus van zijn tijd die erin slaagde om enigszins boven de grenzen van de verzuiling uit te stijgen”. Na de oorlog was zijn naam niet meer dan een vloek, een vies woord dat vereenzelvigd werd met de crisisjaren en een bezuinigingsbeleid dat grootscheepse verarming had teweeggebracht. De Bruijn meent dat het naoorlogse Nederland niets meer in Colijn zag omdat het niets meer in het tijdperk zag dat hij vertegenwoordigde en doordat “het historisch referentiekader” intussen was veranderd. “Daarin was voor Colijn als prototype van oud-Hollandse grootheid geen plaats meer, behalve als karikatuur.”

Daarmee is nog niet de vraag beantwoord waarom zijn eigen politieke nazaten het na de oorlog niet meer voor hem hebben opgenomen. Naar mijn mening hangt dat grosso modo samen met de traditionele, ook in de eerste jaren na de oorlog nog van de wereld afstaande oriëntatie van de antirevolutionaire partij. Het is de tragiek van Colijn geweest dat hij de leider was van een partij die zijn formaat buiten de eigen kring nooit helemaal ten volle onderkende. Dat heeft zonder twijfel een paar punten in zijn naoorlogse waardering gescheeld. De antirevolutionairen begrepen wel dat hun leider te groot was voor een partij van kleine luyden, maar zij waren altijd maar half bekend met zijn standing in de wereld, eerst als directeur van de Koninklijke Petroleum Maatschappij in Londen en lid van de raad van beheer van de Shell, later als voorzitter van de Centrale Volkenbondscommissie van de Volkenbond.

Over Colijns Londense jaren is relatief weinig gepubliceerd. Er staat een publikatie van de historicus P.W. Klein over die periode te verschijnen, maar dat is dus bijna zeventig jaar na dato. Veel meer dan zakelijke feiten geeft ook Gerretson niet in zijn standaardwerk over de geschiedenis van de 'Koninklijke'. Wie echter de memoires van Colijns Londense tijdgenoot, de oliemagnaat Gulbenkian leest, komt een Colijn tegen die hier nog altijd goeddeels onbekend is: een grand seigneur, grootvorst onder de bazen van de internationale concerns, de spil van de 'Koninklijke', die de lakens uitdeelde in de raad van beheer in Londen.

De excentrieke Nubar Gulbenkian (uitgedost met baard, monocle, Havanna in zijn mond en nertskraagjas losjes om de schouders) schurkte zichzelf jarenlang in de speculaties dat hij Deterding zou opvolgen als president van de Royal Dutch Shell, maar hij was al die tijd realist genoeg om zich over dat vergezicht geen illusies te maken. Zolang Colijn er was, besefte hij, waren opvolgingsspeculaties van elk belang ontbloot. Wanneer Deterding voor langere tijd in het buitenland was, hetzij voor zaken, hetzij met vakantie werd 'de Koninklijke' met vaste hand geleid door de waarnemend president, Colijn.

In zijn autobiografie (Pantaraxia, London, 1965) deelt Gulbenkian belangwekkende dingen mee over de rol die Colijn in de schaduw van de zonderlinge Deterding aan de top van 'de Koninklijke' speelde. De president en de waarnemend president vormden een paar apart waarop Gulbenkian - afkomstig uit Armenië en zoon van een onmetelijk rijke vader - niet uitgekeken raakte: de een regeerde zijn olierijk voornamelijk uit zijn buitenverblijf en de ander paste op de winkel. Deterding was meer op reis dan in Londen en als hij niet op reis was, hield hij kantoor aan de Rivièra of organiseerde hij jachtpartijen op zijn buiten in Melton Mowbray. Een groot deel van het jaar bracht hij daar zijn vrienden en relaties bijeen, en deed er zijn zaken af, zoals anderen dat op de bank deden.

Jagen was werken en heel het bedrijf was erop ingesteld. De andere directeuren, met uitzondering van de honkvaste Colijn, pendelden tussen Londen en het jachtterrein in Melton Mowbray, schikten zich in de bizarre werkgewoonten van de grote baas en aten, dronken en lachten met hem mee. Sommigen voelden zich er niet mee op hun gemak en hielden op gezette tijden Deterding voor dat het voor een man van zijn gewicht en met zijn verantwoordelijkheid eigenlijk geen pas gaf zich aan de risico's van de jacht bloot te stellen. Maar Deterding (die volgens Gulbenkian ook twee keer lelijke verwondingen opliep) veranderde zijn stijl van werken niet. Hij had als jagend president ook te veel school gemaakt om ermee op te kunnen houden. “Bij 'de Koninklijke' waren veel functionarissen gaan jagen omdat hij, de president, het deed”, schrijft Gulbenkian. Ze deden dat om een goede beurt te maken, maar ook omdat ze hoopten eens op het buitenverblijf van de president te worden uitgenodigd.

Colijn werd voor de rugdekking die hij Deterding gaf ruim betaald. De Nederlandse oud-minister van oorlog (die het premierschap in Nederland nog voor de boeg had) ontving, zo deelt Gulbenkian mee, een jaarsalaris van ¢8 50.000 (toen het pond op ruim tien gulden stond), een bedrag dat volgens Gulbenkian uit Deterdings eigen zak kwam. Deterding betaalde Colijn zelf omdat hij niet wilde dat diens salaris ten laste van de Shell kwam. Hij kon zich die gril veroorloven, want hij genoot zelf een salaris dat een vijfvoud daarvan was. Dat bedrag stak nogal af tegen de ¢8 3.000 die Gulbenkian in het midden van de jaren twintig bij 'de Koninklijke' verdiende.

De heren spraken onderling kennelijk gemakkelijk over hun inkomen, want het was Gulbenkian bekend dat al dat geld dat Colijn verdiende nogal op diens geweten drukte. “Colijn was nooit gewend zoveel geld te verdienen; tot hij bij Deterding in dienst trad had hij altijd op bescheiden voet geleefd. Ik hoor hem nog tegen mijn vader zeggen dat hij niet goed wist wat hij met zoveel geld moest doen. 'Ik kan niet meer dan tienduizend pond per jaar uitgeven en ik heb al een groot huis', zei hij.”

Het huis had Colijn nog in de goedkope tijd gekocht en de Mercedes waarin hij reed had hij zich, aldus Gulbenkian, na de ineenstorting van de Duitse mark 'for next to nothing' aangeschaft. “Maar, zoals vele lezers zullen beamen”, schreef de vermogende Gubelkian, “geen raad weten met een hoop geld is het minste van alle problemen in het leven, en ik denk trouwens niet dat het Colijn al te veel in verlegenheid heeft gebracht.”