Frankrijks weinig heroïsche oorlogsverleden

In de zomer van 1940 stond de Franse bevolking vierkant achter Philippe Pétain, de held uit de Eerste Wereldoorlog. Daarna, tijdens de Tweede Wereldoorlog, had zij lange tijd nodig om in hem een collaborateur te zien. Henri Amouroux is klaar met zijn geschiedschrijving van Frankrijk tijdens en na de Duitse bezetting. Nog niet afgerond echter is de verwerking van het Franse oorlogsverleden.

Henri Amouroux: La page n'est pas tournée. La grande histoire des Français après l'occupation, X 790 blz., geïll., Robert Laffont 1993, ƒ 71,60

Henri Amouroux: Les règlements de comptes. La grande histoire des Français après l'occupation, IX 809 blz., geïll., Robert Laffont 1991, ƒ 67,90

Ruim twee miljoen exemplaren zijn er verkocht van de tiendelige studie over de geschiedenis van de Fransen tijdens en vlak na de Duitse bezetting. Van zo'n publiek succes kan de doorsnee historicus alleen maar dromen. Toegegeven, de historicus en journalist Henri Amouroux heeft het tij wel mee gehad. De publikatie van het eerste deel in 1976 viel op een tijdstip dat, na lange jaren van een verdringingsproces, in Frankrijk weer belangstelling voor de oorlogsjaren begon te ontstaan.

In zijn aanvankelijke opzet zou de geschiedenis van de bezettingsjaren acht delen gaan omvatten. Maar toen die acht boeken voltooid waren, voelde Amouroux zich geroepen nog twee delen te schrijven over de eerste achttien maanden die op de Duitse bezetting volgden. Het sous l'occupation werd vervangen door après l'occupation. Want, zo zegt Amouroux, de geschiedenis houdt niet abrupt op zoals het neerlaten van een gordijn het einde van een toneelstuk aankondigt.

Henri Amouroux was geen debutant in de bezettingsmaterie. Vele jaren terug, in 1961, had hij al naam gemaakt met La vie des Français sous l'occupation. Zijn nu afgesloten serie vertoont parallellen met het levenswerk van dr. L. de Jong over de geschiedenis der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. In beide gevallen is er sprake van eenmanswerk. Amouroux heeft er zeventien jaar over gedaan, Loe de Jong meer dan dertig jaar. Dat er bij diens opdrachtgevers in Den Haag irritatie is ontstaan over de tijdrovende wijze waarop De Jong meende zijn oeuvre te moeten uitbouwen is een andere zaak. Terwijl Amouroux' studie tien delen omvatte, bracht De Jong het - los van het laatste deel: de reacties - tot dertien delen, bestaande uit 25 boeken (inclusief de publikaties over Indië).

De Fransman had het misschien wat makkelijker, omdat hij in Robert Aron (auteur van Histoire de la libération de la France en van Histoire de l'épuration) een eminent voorganger had. De Jong heeft zich aanvankelijk vooral moeten laten inspireren door de rapporten van de Commissie Enquête regeringsbeleid 1940-45, totdat in 1965 Ondergang, de monumentale studie van Presser over de jodenvervolging in Nederland, verscheen.

Het eind 1993 verschenen La page n'est pas encore tournée is bijna vijftig jaar na de daarin beschreven gebeurtenissen tot stand gekomen. Voor opzienbare onthullingen is het te laat, en die zijn er dan ook niet in te vinden. Amouroux hanteert een thematische aanpak in een chronologisch opgezet verhaal. De systematische rangschikking van het verhaal is doorgaans in een helder proza vervat. Het citeren van talloze getuigen is de leesbaarheid ten goede gekomen.

Voor het verkrijgen van dagboeken, persoonlijke getuigenissen en de correspondentie uit die tijd heeft de historicus de actieve medewerking van lezers gezocht. Hij ontving achtduizend brieven, en hij heeft alles bijeen 1500 oorspronkelijke documenten in zijn studie verweven. “Al dit materiaal verandert de geschiedenis niet wezenlijk, maar het voegt vlees en bloed toe aan het skelet van de archieven”, aldus Amouroux. In een voorwoord van Les règlements des comptes merkt de schrijver terecht op dat de Tweede Wereldoorlog zowat de laatste periode in deze eeuw is geweest waarin de brief nog een onmisbaar element in de persoonlijke relatie vormde. De telefoon heeft sindsdien de brief als communicatiemiddel vervangen, wat voor de historicus een groot verlies aan bronnenmateriaal betekent.

Het is een aanzienlijke verdienste van Amouroux dat hij, ondanks de passies die zijn volk in de oorlogsjaren verscheurden, steeds een noodzakelijke afstand tot zijn onderwerp heeft weten te houden. De tien delen bevatten onmisbaar materiaal voor de bestudering van de periode van het bezette Frankrijk en van die chaotische maanden na de bevrijding. Tegelijk is er reden tot enige kritische aantekeningen. Bij de beschrijving van de helden, boeven en de gewone man had het persoonlijke element wel wat meer aandacht mogen krijgen. Uit de literatuuropgaven blijkt dat Amouroux alleen Franse bronnen en buitenlandse boeken die in het Frans zijn vertaald, heeft geraadpleegd. Een betreurenswaardige beperking. Onvergeeflijk voor dit soort naslagwerk is dat er in het tiende deel geen index is te vinden (maar wel weer in deel negen).

Les règlements de compte, de titel van deel 9, behelst de periode van de zuiveringen die na de bevrijding in de zomer van 1944 maanden van anarchie en bloedvergieten inluidde. Met de titel La page n'est pas tournée, de bladzijde is nog niet omgeslagen, heeft Amouroux in deel 10 willen aangeven dat de in 1943 ontbrande burgeroorlog tussen de Vichy-regering en la résistance ook na de bevrijding, en zelfs na 8 mei 1945, datum van de Duitse capitulatie, nog een vervolg heeft gekregen.

Dat de jacht op collaborateurs in Frankrijk uit de hand liep, mag bekend worden verondersteld. Bij de bestudering van deze troebele episode blijkt het moeilijk feiten van fictie te scheiden. Schattingen van honderdduizend doden vinden in uiterst rechtse hoek nog altijd geloof, maar kunnen zonder risico naar het rijk der fabelen worden verwezen. Henri Amouroux houdt zich bij de cijfers, die Robert Aron in Histoire de la libération (1959) heeft genoemd: 30 tot 40.000 doden. Ook dat is nog een verschrikkelijk hoog cijfer.

De terreur van de Duitsers en van de Milice, de paramilitaire organisatie van Vichy, had begrijpelijkerwijs bittere wraakgevoelens opgeroepen. Na de bevrijding werden deze verder gevoed door frustraties over het langzaam functioneren van de justitie en de vele gratieverleningen van de Gaulle (tweederde van de ruim 1500 ter dood veroordeelden kreeg gratie). Deze factoren, gevoegd bij het ontbreken van een centraal gezag na de aftocht van de Duitsers, leidden tot talloze afrekeningen waarbij ook veel onschuldigen het slachtoffer werden.

Bendes, niet zelden uit de onderwereld gerecruteerd, namen het recht in eigen hand. Er waren clandestiene gevangenissen, alsmede volkstribunalen die zich in het uitspreken van de doodstraf specialiseerden. Veroordeelde collaborateurs werden uit (legale) gevangenissen gesleept en vermoord. Alleen in het departement Dordogne werden tijdens en na de bevrijding meer dan duizenden mensen zonder vorm van proces terechtgesteld. Niet zelden ging het daarbij om onderlinge afrekeningen, die niets met de oorlog of politieke zuivering te maken hadden. Zo werden in juni 1944 in het stadje Issigeac de burgemeester, de pastoor, de dokter en de tandarts gefusilleerd door een ex-bordeelhouder die zichzelf tot verzetsleider had uitgeroepen. De man was verhaal komen halen voor het feit, dat de notabelen in 1940 hadden geweigerd hem een vergunning voor de opening van een bordeel te verstrekken.

In grote delen van het bevrijde Frankrijk heerste in de herfst van 1944 anarchie. Middelpuntvliedende krachten bedreigden de samenhang van de republiek. Voor generaal de Gaulle was deze wetteloosheid natuurlijk onaanvaardbaar. Het Frankrijk buiten Parijs moest dus zo snel mogelijk onder controle worden gebracht. Dat resulteerde in een krachtmeting tussen de generaal en de communisten, die een vooraanstaande rol in het verzet hadden gespeeld en die het in ettelijke delen van Frankrijk voor het zeggen hadden gekregen.

Die krachtmeting eindigde in het voordeel van de Gaulle. Een jaar later, bij de parlementsverkiezingen van oktober 1945, zou de communistische partij 'le premier parti de France' worden, maar veel schoten de communisten daar niet mee op, want de Gaulle weigerde hun een sleutelministerie toe te kennen.

De noodzaak tot consolidatie van het centrale gezag in 1944 had voor de Gaulle nog een andere gewichtige reden, namelijk het terugwinnen van internationaal prestige voor Frankrijk. Parijs moest zo snel mogelijk als volwaardig lid van de club van overwinnaars over de toekomst van Duitsland kunnen meepraten. Maar dan mocht er aan de legaliteit van de Gaulles macht geen twijfel meer bestaan.

Alle middelen waren goed om 'le rang' van Frankrijk bij de Geallieerden te helpen verzekeren. Een voorbeeld daarvan vormde de oorlogjes, die de Gaulle kort voor de Duitse capitulatie liet voeren tegen Duitse bastions aan de Atlantische kust en tegen de Italianen in de Alpen. Een vergeten petite histoire in de slotfase van de oorlog.

Het ging om de verovering van luttele vierkante kilometers grondgebied, waarbij toch nog honderden Franse militairen het leven lieten. Ook bij deze ogenschijnlijke ongerijmdheid werd de Gaulle door een ijzeren logica gedreven. Het najagen van la gloire was hier een bijkomstigheid. Het veroveren van die plukjes grondgebied verhoogde zijn aanspraak op legaliteit, het moest hem als het ware kleingeld opleveren voor zijn streven naar het herstel van Frankrijks internationale positie.

Burgeroorlog. Het is geen overdreven karakterisering van de situatie, die in 1943-44 in sommige delen van Frankrijk was ontstaan. Het Vichy-bewind arresteerde, folterde en moordde, het verzet betaalde door middel van aanslagen met gelijke munt. In deze vicieuze cirkel van geweld stonden niet alleen Fransen tegen Duitsers, maar steeds meer ook Fransen tegen Fransen. Het proces dat dit voorjaar tegen Paul Touvier, een hoge functionaris van de Milice, wordt gevoerd, heeft deze burgeroorlog-situatie als achtergrond. Geen wonder dat de verwerking van zo'n troebel oorlogsverleden nog altijd niet is afgerond. Om nog maar te zwijgen van de deportatie van 80.000 in Frankrijk wonende joden (van wie er 77.000 omkwamen), die niet zonder de toegewijde medewerking van de Franse politie mogelijk zou zijn geweest.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Een belangrijk gegeven is dat de Tweede Wereldoorlog zo kort op de eerste is gevolgd. De slag bij Verdun was nog geen kwart eeuw geschiedenis, toen Frankrijk in 1940 werd verslagen en Philippe Pétain vervolgens onder betrekkelijk legale omstandigheden aan de macht kon komen. Voor de getraumatiseerde Franse bevolking was de 'Held van Verdun' toen de enig beschikbare reddingsboei.

In de zomer en herfst van 1940 bestond er massale steun voor Pétain als redder des vaderlands. Amouroux noemde deel twee van zijn studie dan ook Quarante millions de pétainistes. In tegenstelling tot Pierre Laval die van het begin af aan werd gewantrouwd, wensten de Fransen Pétain aanvankelijk niet als een collaborateur te zien. Men was hem er dankbaar voor dat hij de Duitsers ertoe had kunnen bewegen een deel van Frankrijk tot 'vrije' zone te maken.

Vanaf 1942, het jaar waarin de Duitsers ook de vrije zone zouden gaan bezetten, begon zich echter een kentering in de openbare mening af te tekenen. De deportatie van joden en verzetslieden en ook het vertrek van honderdduizenden mannen als dwangarbeider naar Duitsland waren hiervoor verantwoordelijk. Het herderlijk schrijven van kardinalen en bisschoppen, waarin de jodenvervolging werd veroordeeld, bracht vele Fransen tot de overtuiging dat het Vichy-bewind niet deugde.

Een zekere majoor Charles Vallin is representatief voor deze psychologische en politieke evolutie. In 1940 was deze beroepsofficier een uiterst rechts man, en een kritiekloos aanhanger van Pétain. Maar de groeiende collaboratie van de Vichy-regering met Duitsland en vooral het pro-Duitse optreden van premier Laval deden hem in 1942 naar het gaullistische kamp overlopen, op een tijdstip dus dat de nederlaag van Duitsland nog geenszins vaststond. De cirkelgang werd voltooid, toen Vallin in april 1945 opdracht kreeg Pétain te arresteren. Majoor Vallin was een van de gedesillusioneerde Quarante millions de pétainistes.

Philippe Pétain was hoog bejaard (89 jaar), toen hij in augustus 1945 in Parijs werd berecht. Vlagen van geheugenverlies buiten beschouwing gelaten, maakte hij nog een alleszins lucide indruk. Zijn verdedigingsstrategie was eenvoudig. Als staatshoofd had hij altijd het beste met Frankrijk voorgehad; ondanks constante Duitse druk heeft hij steeds geprobeerd het ergste te voorkomen. Pétain werd ter dood veroordeeld, maar de Gaulle verleende hem onmiddellijk gratie.

Was Pétain een verrader? Aan zijn anti-Duitse gevoelens kon geen twijfel bestaan, maar onder zijn morele gezag is verschrikkelijk veel misgegaan. Edouard Daladier, een van de getuigen à charge, beantwoordde de vraag aldus: Pétain heeft zijn verplichting tegenover de Fransen verraden. Het is een nuancering die de essentie van de aanklacht overeind liet staan. Niet alleen tegenover de natie maar met name ook tegen de joden heeft het hoofd van l'état français zijn morele verantwoordelijkheid verzaakt. In het begin van het Vichy-bewind werden joodse oud-strijders die Pétains steun inriepen voor het verkrijgen van vrijstelling van de anti-joodse wetten, nog wel ontzien. Le maréchal des juifs werd hij toen liefdevol genoemd. Maar later liet Pétain ook deze categorie oud-strijders harteloos vallen.

De grote schurk in het Vichy-verhaal was Pierre Laval. Hij werd wel 'het kwade geweten van de maarschalk' genoemd. Laval, die tweemaal premier is geweest, eerst in 1940, later van 1942 tot 1944, was de incarnatie van de collaboratie met het Derde Rijk. Zijn meest fatale uitspraak luidde: “Ik wens de overwinning van Duitsland.” Op deze overtuiging had Laval zijn politiek gebaseerd, die erop gericht was een marge van onafhankelijkheid voor zijn land te behouden.

Lavals proces in oktober 1945 werd in een schandalig klimaat gehouden. Het vooronderzoek werd vroegtijdig afgebroken, nadat de regering de magistraten had meegedeeld dat het proces zo snel mogelijk moest worden afgewikkeld. Er stonden parlementsverkiezingen voor de deur en de communisten beschuldigden de regering van een slap zuiveringsbeleid. De president van het hooggerechtshof en de procureur-generaal hadden onder het Vichy-bewind gediend, de juryleden bedolven Laval onder verwensingen en bedreigingen.

Onder deze onwaardige omstandigheden kon geen sprake zijn van een werkelijk proces, waarin ook de diepere oorzaken van de nederlaag in 1940 en van het daarop volgende collaboratiebeleid van Vichy aan bod zouden komen. Laval werd stelselmatig weggehoond, wanneer hij het verleden er bij probeerde te halen. De Fransen waren in 1945 uitsluitend geïnteresseerd in een snelle veroordeling en terechtstelling van deze gehate man. Henri Amouroux is niet teder voor zijn landgenoten: “Dit wroeten in het verleden was volstrekt oninteressant voor een volk dat er toen erg mee was ingenomen dat een totaal verloren oorlog op een wonderbaarlijke manier toch nog kon worden omgezet in een min of meer gewonnen oorlog.”

    • Pierre Auwerick