Eendepootparaplu

Het is maar goed dat kwekers niet kunnen zien wat er van hun planten terecht komt nadat hun nieuwe eigenaars ze mee naar huis hebben genomen. Ikzelf heb er verscheidene om zeep gebracht door ze op een ongeschikte plaats te zetten; het is ook makkelijk ze prijs te geven aan grazende poezen (binnen enkele seconden na geplant te zijn waren alle bladpunten van mijn gloednieuwe Pleioblastus chino 'Argenteostriatus' keurig afgebeten; nu zijn ze driehoekig, hetgeen een ongewone aanblik oplevert), te vergeten dat ze extra water nodig hebben in een droogteperiode, of gewoon op ze te trappen in het donker. Maar dan was tenminste nog een deel van hun lotsbestemming vervuld: ze waren geplant. Een veel moedeloosmakender categorie bestaat uit de in triomf aangevoerde nieuwe aanwinsten die zelfs nooit een plaats kregen in de tuin.

Daar staan ze nu, bij elkaar bescherming zoekend in de koude kas, een verwijtend groepje potten - er bleek achteraf geen ruimte voor ze te zijn, ik wachtte af om te zien hoe ze er werkelijk uitzagen, of het waren gewoon vergissingen. Soms kun je er een weggeven, soms lijkt de barmhartige dood zich al bij aankomst over ze ontfermd te hebben. Toen ik me onlangs van een paar afgestorvenen ontdeed (op de composthoop waar een Astilboides tabularis veel lustiger staat te groeien dan in het bloembed voor ik hem weggooide) vond ik er een die miraculeus genoeg nog in leven was: een bleke scheut had in de pot zijn weg naar boven gezocht en bijna de oppervlakte bereikt. Een tweede mirakel was dat het etiket er nog bij was, volgens welk het een exemplaar bleek te zijn van Podophyllum peltatum, dat ik me duidelijk herinnerde vorig jaar gekocht te hebben, opgejut door Graham Stuart Thomas, die verzekert dat het een schaduwminnende plant is.

Ik vloog er onverwijld mee naar het vochtigste gedeelte van ons Noorderbed, hetgeen ook de plaats is die ik haar oorspronkelijk had toebedacht, en zo, eindelijk, na een oponthoud van een jaar - tuiniers zijn gewend de dingen op de lange termijn te bekijken - vond dit kennelijk robuuste exemplaar zijn rechtmatige plaats.

Tuinboeken zijn niet uitvoerig over de Podophyllum peltatum. Zoals zo vaak gebeurt met een ongebruikelijke plant die men ten langen leste heeft opgespoord, boren de weinige auteurs die haar noemen, zoals in dit geval William Robinson in The English Flower Garden, haar terstond weer de grond in met een of ander negatief commentaar, hier door te zeggen dat een bloedverwant, P. hexandrum, een veel begerenswaardiger gewas is. De naam Podophylllum is een afkorting van Anapodophyllum, een amalgaam van Latijn en Grieks dat 'eendepootblad' betekent, en inderdaad, vorig jaar toen ik haar kocht, leek zij op een ondersteboven gekeerde eendepoot die uit de aarde stak. Maar het is niet het bezielde, eend-achtige aspect dat het sterkst tot de verbeelding spreekt: waar de plant nog veel meer op lijkt is een paraplu. Er zijn nog andere bosplanten, Trillium en Paris, die een paraplu onder hun voorouders hebben; deze brengen ook een steel voort met bladeren er bovenaan in een cirkel omheen. Maar hun bladeren zijn diep ingesneden en geen dwergpissebed zou er onder kunnen schuilen voor de regen. Onder één Podophyllum zou daarentegen een hele kolonie van deze diertjes kunnen schuilen.

Mijn exemplaar staat al in knop: zij zal laat in het voorjaar bloeien met één 'good-sized nodding flower' (G.S. Thomas). Met een beetje geluk groeit deze uit tot een nogal grote bes; volgens William Tait in Hortus 19 (herfst 1991), “is het in het geslacht Podophyllum dat we planten vinden met enkele van de grootste vruchten van enige winterharde soort; ...de vruchten die zich ontwikkelen worden uiteindelijk zo groot als Italiaanse tomaten en van vergelijkbare kleur; ze zitten onder de bladeren en zijn gevuld met vele zaden omsloten door sappig vruchtvlees. De vrucht van de Podophyllum hexandrum kan vijf cm lang en 2 cm dik worden.” Volgens William Robinson zijn ze eetbaar, maar wee van smaak ('of mawkish flavour'). De Engelse naam is 'May apple', hetgeen zonderling is voor een plant die vrucht draagt in het najaar.

Alsof het vooruitzicht van Italiaanse bostomaten in de herfst nog niet begeesterend genoeg was, biedt de plant ook nog gratis amusement in de lente. Achteraf is het niet zo'n ramp dat ik de mijne zo lang was vergeten; als ik haar volgens plan had gekweekt zou ik het schouwspel van hoe zij uit de grond komt vermoedelijk gemist hebben. E.A. Bowles verwonderde zich over de groeikracht van de crocus, die 'makes light work of a hard, well-rolled gravel path'; haar bladeren staan omhoog, vlak tegen elkaar, aldus een soort speer vormend. Ook Trillium en Paris verschijnen met de bladpunten eerst; deze zijn tot een spiraal gerold en ontvouwen zich wanneer zij eenmaal veilig boven de grond zijn. Maar de Pedophyllum komt uit de grond met de bladeren omlaag, als een paraplu - zo'n stompgepunt, opvouwbaar model.

Het zag er eerst wat onsmakelijk uit, een witte vlezige steel waarover bruine bladeren dichtgevouwen zaten, ontkleurd, alsof het omhooggroeide uit de diepten van een of ander onnoembaar afval; daarna, toen de steel langer werd, kreeg het een groene kleur en begonnen de paraplubladeren zich heel traag te openen (het is wat vreemd dat de mijne twee bladeren heeft; P. peltatum wordt verondersteld er maar één per steel te hebben, en het is de zoveel betere P. hexandrum die er twee heeft: zou er een mutatie kunnen zijn opgetreden terwijl zij overwinterde in haar pot?). Nu zijn ze geheel geopend en ertussen zit de bloem te wachten.

Maar haar zo dicht bij een Tellima grandiflora te zetten was een vergissing, zoals van een kind dat een boot blauw kleurt tegen een blauwe achtergrond; de bladeren zijn van ongeveer dezelfde hoogte, afmetingen en kleur, en zonder je er overheen te buigen kun je ze bijna niet van elkaar onderscheiden. Aan het eind van een passage over podophylla schrijft Margery Fish: “Veel van de persoonlijkheid van ongebruikelijke planten gaat verloren wanneer ze dicht tegen andere bloemen komen te staan. Zowel hun bladeren als hun bloemen zijn 'good', en de planten zien er het best uit als ze afzonderlijk tegen een achtergrond van heesters staan, of onder de schaduw van bomen.” Misschien was het een vaag voorgevoel dat maakte dat ik mijn eendepootparaplu zo lang in haar pot heb gelaten: nu ze eindelijk in de grond staat ziet het er uit of alles in haar onmiddelijke omgeving veranderd zal moeten worden.

    • Sarah Hart