De verloren onschuld van Engeland; Kanaaltunnel ontsluit eiland-paradijs in verval

Volgende week openen president Mitterrand en koningin Elizabeth 'De Chunnel' en wordt het Verenigd Koninkrijk uit z'n isolement bevrijd. Of zorgt de kanaaltunnel nu juist voor aansluiting van het continent bij de britse beschaving? Een laatste blik op 'Britain-as-we-know-it'. Illusies aan de Thames.

De uitnodiging voor het eetpartijtje was voor seven-thirty for eight - code voor de mededeling dat er een half uur geborreld zou worden vóór om acht uur het eten zou worden opgediend. Het was nog maar vijf vóór acht en toch was één van de co-gasten, een academicus met een reputatie, al behoorlijk aangeschoten. Met een glas whisky in de hand en het hoofd vervaarlijk rood aangelopen helde hij over om de vraag te kunnen verstaan.

“Wat, wàt? De Kanaaltunnel, dit land veranderen? Quite so. Alles hier gaat naar de verdoemenis. Niets blijft zoals het was. Die tunnel doet de deur dicht.”

Dit tableau wordt dezer dagen aan eetkamertafels en in het borrelcircuit in middle class-Engeland in oneindige varianten heropgevoerd. Welopgevoede en academisch geschoolde Britten zien in de beëindiging van de eilandstatus van Groot Brittannië ook een beëindiging van hun way of life. De officiële opening van de Kanaaltunnel, op 8 mei, betekent dat er van nu af aan een vaste verbinding is met het continent van Europa. Aan gene zijde van de Chunnel liggen foreigners in het algemeen en Fransen in het bijzonder. Dolle honden, drugs en illegale vreemdelingen stuiten niet langer op de onneembare barrière van de zee. Knoflook- en paardevleeseters kunnen straks - als de treinen aan het eind van de zomer eindelijk gaan rijden - in Ashford zomaar met hun hoofd uit een gat in de krijtrotsen bovenkomen. En de zuigkracht uit 'Brussel' dreigt Britain-as-we-know-it op te slurpen in één taaie, grijze brij die door meneer Delors persoonlijk à l'Européenne is voorgekookt.

Maar wat ìs Britain-as-we-know-it? Is het die kostelijke oase van vriendelijke mensen met gepolijste manieren en curieuze gebruiken, die hedendaagse Anglofielen zo verheerlijken? Zijn het bluebell-bossen en meidoornhagen, village fêtes, historische pubs en beheerst in-de-rij-staan? Of is het een eiland waarvan de bewoners grootheidswaan koppelen aan vreemdelingenangst, waar een historische bovenklasse zich vastklampt aan zijn bezit en een onderklasse zich schikt in zijn verworpen status? Is Groot-Brittannië-zoals-wij-dat-kennen het waard in zijn onveranderde vorm bewaard te blijven of geldt het sentiment van een collega uit Nederland, die hier aankwam nadat onderweg naar Londen weer eens een deur uit de trein gevallen was. “Ik begrijp niet hoe je het hier uithoudt, in dat Derde-Wereld-land van jou.”

Zoekend naar een definitie van wat er nu aantrekkelijk en afstotelijk is aan Engeland (een term die voor Nederlandse oren beter klinkt dan 'Groot Brittannië', maar die Schotland, Wales en Noord-Ierland buiten beschouwing laat) stuit je op duizenden verschillende reflecties van andermans visie. Neem - actueel voorbeeld - Raymond Seitz, de Amerikaanse ambassadeur in Londen, nog gestuurd door George Bush, maar hier zo populair dat president Clinton hem nog een tijdje liet zitten. Deze week keert hij alsnog terug naar Washington. Op zijn afscheidsdinertje beleed hij onverholen “een aanhanger van Anglo-Amerikaans romanticisme” te zijn, die vorm van behoudend escapisme die alles waar 'Brits' op staat wil kleuren in de honinggouden tint van Cotswold-zandsteen en Brideshead Revisited-praal. En toch: “Ik heb nooit gestudeerd in Oxford of Cambridge - en ik rij geen paard en ik jaag ook niet. Ik vind Marmite niet om te eten en het leegdrinken van een pint bitter is een handeling waartoe ik mezelf echt moet dwingen.”

Daar staat Boris Johnson tegenover, de correspondent voor The Daily Telegraph in Brussel, die na jaren Europa in Londen is teruggekeerd. Hij heeft geleerd het dwarsliggende, anti-federalistische Groot Brittannië met Europees-continentale blik te bezien. Desondanks belijdt hij in zijn krant hervonden gelukzaligheid over de maaltijden in het restauratierijtuig van British Rail, over schone taxi's, over het interieur van Westminster Abbey, over de kwaliteit van de kranten en over de aanwezigheid van “het enige interessante parlement ter wereld”. En hij prijst de Britse dwarsliggerij binnen de Europese Unie met de constatering dat er geen land in Europa is waar zo serieus gedebatteerd is over de Europese integratie als in Groot-Brittannië.

Wat is Groot-Brittannië zoals wij dat kennen en in hoeverre moeten wij daaraan hechten?

De honderd-en-derde aartsbisschop van Canterbury, George Carey, is hoofd van de Anglicaanse Kerk en daarmee de man die het morele oordeel mag vellen over de vraag of de Britten ooit een gescheiden King Charles III als opvolger van wijlen Koningin Elizabeth II zullen mogen aanvaarden. Twee weken geleden noemde hij zijn vaderland a pretty ordinary little nation, verstoken van een behoorlijk leger en van een fatsoenlijke marine en bevolkt door mensen die 'eenzaam' zijn en in een crisis verkeren - “en toch: het lijkt niet tot ons door te dringen”.

Die uitspraak veroorzaakte heftige reacties in Conservatieve kring. Dat was niet alleen omdat hij kwam van de hoogste functionaris van de staatskerk, formeel het geweten van de staat. Het was ook omdat de woorden staken. Ze riepen herinneringen op aan kwalificaties als Britain punching above its weight met zijn permanente zetel in de Veiligheidsraad. En de woordkeus riekte naar die pijnlijke omschrijving van Dean Acheson destijds over de Britse invloed na Suez: “Groot Brittannië heeft een imperium verloren en nog geen nieuwe rol gevonden.”

Toch schrijnde Careys uitspraak niet eens zozeer vanwege de mate van Britse invloed in de wijde wereld, als wel vanwege de stand van zaken op dit eiland zelf. Op een moment van diepgaand gebrek aan populariteit voor een Conservatieve regering die vijftien jaar achtereen de zaken naar haar hand heeft kunnen zetten, werden de aartsbisschop daarom 'politieke uitspraken' verweten. “Hij kan niet rekenen. Het is een schande!” zei een razende Conservatieve partijprominent. Maar Carey stond sterk. De cijfers die hij aanvoerde waren drie weken eerder precies zo gebruikt op een bijeenkomst van de Confederatie van Britse Industriëlen (CBI). En niemand die de Britse werkgevers ervan kan verdenken dat ze een Conservatieve regering willen ondermijnen. Toch sprak CBI-voorzitter Howard Davies van noodzakelijke reparaties aan een “ongelijke en door armoede gegeselde samenleving, waarin de armsten in de laatste tien jaar 10 % armer zijn geworden dan daarvoor”. En vervolgens legde hij uit dat in de jaren tachtig - en dus onder Conservatieve verantwoordelijkheid - de 10 % in de hoogste inkomenscategorie er 62 % rijker op is geworden, terwijl de werknemers in de onderste 10 % van de inkomens er 14 % op zijn achteruit gegaan.

De scherpe verdeeldheid in inkomen gaat gelijk op met een nog altijd duidelijk aanwezige klassestructuur. Die gaat verder dan snobisme alleen en berust op de onveranderde overtuiging, onder- en bovenaan de ladder, dat De Schepper de verdeling in klassen zo heeft gewild. Nederlanders, met hun egalitaire gezindheid, moeten leren dat het loflied van een arbeider op zijn working class-afkomst niets vals heeft. Hij moet er ook aan wennen dat er geen streven is om uit die klasse op te klimmen naar een hoger échelon. Hier voerde een prominent Labour-Lagerhuislid enkele jaren geleden een proces tegen een journalist die de MP ervan had beschuldigd dat hij zijn working class-afkomst overdreef, omdat zijn vader niet altijd in een blauw overall had gewerkt. Dat gold als een infame aantijging. Het Lagerhuislid Dennis Skinner, een andere Labour-parlementariër, weigert in de tearooms van het Paleis van Westminster bediend te worden. Arbeiders laten zich niet hand and foot bedienen door andere onderdrukten der aarde, of ze zijn geen echte vertegenwoordigers van hun klasse. En in Oxford en Cambridge, die bastions van de academisch gestimuleerde upper class, werd de afgelopen twee jaar nog een serie zelfmoorden van aankomende studenten, in de eerste weken van hun universitair bestaan, als vanzelfsprekend verklaard uit het feit dat ze working class waren en zich dus helaas niet hadden kunnen aanpassen aan de norm.

In het jaarlijkse overzicht van de 500 rijksten (20 miljoen pond en meer) in de Britse samenleving, dat The Sunday Times sinds 1989 samenstelt, maakt 'oude rijkdom' nog steeds éénderde van het totaal uit. Bijna de helft van de families die aan het eind van de 19de eeuw 10.000 acres of meer aan landerijen bezat, is nog steeds eigenaar van dat grondgebied. De belangrijkste exponent van dat fenomeen is Gerald Grosvenor, de Hertog van Westminster, met bezittingen van Mayfair tot Hawaii.

Nog eens duizenden inwoners van dit land zien hun bezittingen en hun inkomen net onder de Sunday Times-toplimiet getaxeerd. In een omineuze verandering moest de Engelse koningin dit jaar voor het eerst haar toppositie in de tabel prijsgeven aan twee Zweedse broers die om belastingredenen in Engeland zijn komen wonen nadat ze de wereld hadden verblijd met de uitvinding van het kartonnen melkpak, het Tetrapak. De gezamenlijke rijkdom van de 500 rijksten bedroeg in 1989 een geschatte 38 miljard pond. In vijf jaar is dat totaal met 36 % gestegen, tot 54,3 miljard pond. Om de omvang in proportie te brengen: dat bedrag staat gelijk met ruwweg éénvijfde van de totale Britse begroting.

De Zweedse broers zijn strikt genomen trade en daarom sociaal niet aanvaardbaar. Voor wie dat niet begrijpt is misschien de bekentenis van een investeringsbankier uit de Londense City een steuntje in de rug. Hij beleed ons openlijk dat hij zich met zijn chique kostschool-accent wel eens opgelaten voelt in een kamer vol industriëlen. Waarom? Dat zijn, vanwege hun beroepsgroep, niet zijn sociale gelijken, maar wel zijn klanten.

Als de uitvinders van het melkpak de Conservatieve Partijkas maar met genoeg donaties verblijden, dan wacht hen vrijwel zeker een knighthood en mogelijk op termijn zelfs verheffing in de adelstand. De dragers van een dergelijke titel bekeren zich in het algemeen snel tot het gedrag dat bij die nieuwe status hoort, getuige de opmerking van Lady L., onze gastvrouw aan een eerder etentje in Londen: “Het personeel van tegenwoordig heeft geen manieren meer.” Het personeel, achttien jaar in dienst en door de werkgeefster openlijk aangeduid als 'de meid', keek boven een wit befje stoïcijns voor zich uit tot wij de soep op hadden en zij kon afruimen.

Het is die houding van minachting tegenover alles wat zijn handen vuil maakt, of het nu op de boerderij of in het bedrijfsleven is, die vaak verantwoordelijk wordt gehouden voor de geleidelijke economische neergang van een natie die de wereld ooit voorging in industriële ontwikkeling en inventiviteit. Maar nieuw is dat de rijke - voor tweederde 'nieuw-rijke' - bovenklasse geen oog meer heeft voor de verplichtingen die rijkdom tot na de Tweede Wereldoorlog geacht werd met zich mee te brengen: de paternalistische medeverantwoordelijkheid voor degenen die het minder goed hebben getroffen. Omgekeerd klagen degenen die nog het warme nest van de arbeidersbeweging en de steun van een machtige vakbeweging hebben gekend, dat na de jaren-Thatcher de onderlinge solidariteit aan de onderkant van de ladder net zo goed verloren is gegaan.

“Wij hier bij Ford in Dagenham hebben nog steeds één kantine en één parkeerplaats voor de fabrieksarbeiders en een andere parkeerplaats en een aparte kantine voor de managers”, zei een Fordwerker die maar moet afwachten hoe lang hij zijn baan nog houdt. “Werkgelegenheid, betere arbeidsvoorwaarden, je krijgt er niemand meer voor in het geweer. De mensen denken niet verder dan dat ze het zelf een beetje voor elkaar willen hebben.”

Sociologen verbazen zich over het gebrek aan class fluidity, zelfs in een Groot-Brittannië dat in de jaren tachtig economisch en sociaal grote veranderingen doormaakte. Eén theorie luidt dat het laatste zieltogende vertoon van klassenstrijd is beklonken met de (mislukte) mijnwerkersstaking onder leiding van Arthur Scargill. Dat gevecht is in het voordeel van de heersende klasse beklonken door Margaret Thatcher, 'de Robespierre van de Britse petit-bourgeoisie'. Haar contra-revolutie tegen de vakbonden, luidt de stelling, bevestigde, onder het mom van meritocratie, het recht van de heersende klasse, het recht van erfelijkheid, van rijkdom en van eigendom. De egalitaire jaren van na de Tweede Wereldoorlog zijn daarmee definitief afgesloten.

Het is dus geen wonder dat een partij als Labour zich aan het eind van de jaren tachtig haastig tot Europa bekeerde. De partij weet dat de stimulans voor verandering in sociale structuren vooral uit Europa kan komen. Precies om die reden ook uitte Margaret Thatcher haar driewerf 'Nee! Nee! Nee!' tegen het soort Europa dat via Jacques Delors kan dicteren hoe de zaken in Groot-Brittannië moeten worden ingericht.

Kaders:

This royal throne of kings, this scepter'd isle

This earth of majesty, this seat of Mars

this other Eden, demi-paradise

This fortress built by Nature for herself

Against infection and the hand of war

This happy breed of men, this little world

This precious stone set in the silver sea

Which serves it in the office of a wall

Or as a moat defensive to a house

Against the envy of less happier lands

This blessed plot, this earth, this realm, this England

This nurse, this teeming womb of royal kings

this dear, dear land....

WILLIAM SHAKESPEARE, RICHARD II

...And after, ere the night is born

Do hares come out about the corn?

Oh, is the water sweet and cool

Gentle and brown above the pool?

And laughs the immortal river still

Under the mill, under the mill?

Say, is there Beauty yet to find?

And Certainty? and Quiet kind?

Deep meadows yet, for to forget

the lies, the truths, and pain?... oh! yet

Stands the Church clock at then to three?

And is there honey still for tea?

RUPERT BROOKE

Fragment uit The Vicarage of Grantchester. Dit gedicht is een metafoor geworden voor de gevoelens die Britse soldaten, in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, koesterden voor hun vaderland. De romantisch jong gestorven dichter Rupert Brooke schreef het overigens in 1912, zittend op een terras in Berlijn.

    • Hieke Jippes