Brave borst

Daniël Boorstin: De scheppende mens. Artistieke doorbraken in de wereldgeschiedenis

919 blz., Agon 1994, vert. Paul Syriër (The Creators 1993), ƒ 79,90

Aan het begin van het interview met NRC Handelsblad van 12 maart dit jaar gaat de Amerikaanse geschiedschrijver Daniël Boorstin prat op de betiteling 'amateur', maar aan het einde vraagt hij zich verbaasd of waarom iemand hem 'romantisch' zou vinden. Wie zich door zijn laatste lijvige boek heeft gewerkt zal echter beamen dat hij beide is, dat hij in de goede en kwade zin een romantische amateur is. Liefhebberij en gebrek aan methodiek, oog voor het curieuze en pathetiek, alle deugden en gebreken van het genre kleven hem aan.

De opmaat tot zijn uitstalling der onsterfelijken wordt gevormd door een kort onderzoek naar de plaats die 'de schepping' inneemt in het goden- en wereldbeeld van de Hindoes, de Chinezen, de Grieken, de Christenen en de Islamieten. De daaruit voortkomende beperking van het cultuurbegrip tot de 'grote beschavingen', met voorbijzien aan bijvoorbeeld de Amerikaanse Azteken en de Afrikaanse Ashanti, zal men Boorstin snel vergeven: in zo'n overladen programma 'mist men een, twee pruimpjes niet'.

Na de verkenning van de voedingsbodem komt de carrousel op gang. In hoofdstukken die zowel chronologisch als thematisch zijn geordend trekken aan ons voorbij de bouwers (van Stonehenge tot wolkenkrabbers), de groei van het toneel uit de religeuze ceremonieën, de letteren (van Dante tot Virginia Woolf), de schilders en beeldhouwers (van Phidias tot Picasso), en de opgang van de muziek (van het Gregoriaans tot Strawinsky). Ergens vindt de auteur ook nog plaats voor de ontstaansgeschiedenis van fotografie en film. Tenslotte kruist deze indeling ook nog een rangschikking van kunstenaars naar de plaats die zij innemen op een historisch continuüm dat van een 'gemeenschappelijke betekenis' naar de 'egocentrische expressie' verloopt. Zo schreef Bach zijn noten voor een protestantse gemeente, en deed Melville, behalve van een walvisvaart, ook verslag van een reis door de 'innerlijke wildernis'.

Niemand zal betwisten dat zo'n grootse aanpak niet zijn voordelen heeft. “Als er enige eenheid is in de voortgang van de geschiedenis, als er enig dieper verband bestaat tussen wat vooraf is gegaan en wat zal volgen, is het noodzakelijk, willen deze eenheid en dat verband tot hun recht komen, dat deze verschillende perioden in één enkele geest tot een geheel worden samengevoegd,” schrijft Bertrand Russell aan het begin van een dergelijke onderneming, zijn Geschiedenis van de westerse filosofie.

Helaas ontbreekt in Boorstins heldengalerij een verbindend principe, want het sleetse onderscheid tussen dienende en persoonlijke kunst, dat nog eerder uit de romannetjes dan uit de Romantiek stamt, kan als zodanig niet gelden. Het herhaaldelijke benadrukken dat de Griekse beeldhouwkunst of het Pantheon 'de overwinning van de kunst op de politiek verkondigt', kan men evenmin als een geslaagde rode draad in zijn expositie beschouwen. Boorstin is niet de enige kunstcriticus die galmen en betogen door elkaar haalt.

Boorstin slaagt er vaak in om, ondanks het wonderlijk ontbreken van enige illustratie, de lezer de tuin van Monet en Wagners Gesamtkunstwerk voor de geest te roepen. De levens van Cervantes en Dostojevski vormen ook adembenememde lectuur. Bij zo'n indrukwekkende parade van talenten is de verleiding groot om te kijken wie ontbreekt en wie te veel is. Voorkeuren hebben iets willekeurigs, maar de afwezigheid van Tolstoj vind ik een gebrek. Te veel eer tussen deze geweldenaars valt grappig genoeg ten deel aan twee negentiende-eeuwse Amerikaanse historici, Prescott en Parkman, die in hun romantische aanpak en stijl een sterke gelijkenis met Boorstin vertonen: brave borsten van beperkt belang.

Op zijn best laat deze megaliet zich lezen als een beredeneerde catalogus van het schone der aarde, maar de overvloed aan clichés en anekdotische pikanterie leent zich nog het beste voor een kunsthistorisch spelletje Triviant. Wie prikkelende ideeën wil opdoen over artistieke scheppingsdrang kan beter terecht bij Hofstadters Gödel, Escher, Bach of, van eigen bodem, Mulisch' De compositie van de wereld. Wie iets wil weten over een of andere kunstenaar raadplege liever een encyclopedie of monografie. De vertaler heeft moeite gehad om het breedsprakige Amerikaans in vloeiend Nederlands om te zetten en heeft nogal wat steken laten vallen, zoals mag blijken uit het neerschrijven van 'remnant' in plaats van restant, en 'confligeren' in plaats van strijden.