Boris en de fluwelen putsch

Boris Jeltsin: Dagboek uit het Kremlin. Verslag van een president 398 blz., geïll., Anthos/Lannoo 1994, vert. Peter van der Zouwen en Anke van der Moer (Boris Jeltsin: zapiski presidenta), ƒ 34,90

In het Russisch heet het boek zapiski presidenta: aantekeningen van een president. Maar het kan ook zijn: de aantekeningen van de president. En die laatste titel is onmiskenbaar de beste. Het dagboek, dat de auteur tussen 1991 en 1993 binnen en buiten het Kremlin heeft bijgehouden, gaat namelijk maar over zegge en schrijve één man. Over niemand minder dan dè president.

Dat die ook nog eens naar de naam Boris Nikolajevitsj Jeltsin luistert, is daarbij uiteraard geen toeval. Niet voor niets schrijft de auteur nadrukkelijk in de derde persoon enkelvoud over zichzelf. Dat is geen slordigheid van de ghostwriter, die de ingesproken bandjes heeft uitgewerkt, maar een bewuste keuze. Want als de auteur het heeft over 'de president', bedoelt hij niet alleen het staatsrechtelijke instituut maar gaat het hem eerst en vooral om de persoon 'Jeltsin'.

Voor een buitenstaander is dit egocentrisme vreemd, irritant wellicht, maar het weerspiegelt niettemin een diep verlangen dat nauw verbonden is met de Russische traditie en dus niet zomaar belachelijk gemaakt kan worden. Het is dè manier om jezelf als vozjd te presenteren, zo'n echte 'leider' die het historische lot van alle andere Russen in eigen hand heeft genomen en zodoende ook als enige verantwoordelijk is voor de toekomst van al die Russen.

In de vozjd vallen publiek gedrag en innerlijke persoonlijkheid aldus naadloos samen. Maar toch zijn de zapiski van de president vreselijk interessant. Niet ondanks maar juist dank zij die voor ons onbeschaamde ijdelheid geven de aantekeningen van Jeltsin namelijk een helder beeld van de wijze waarop in Rusland de macht nog altijd wordt beleefd. Door alle cruciale momenten in de recente geschiedenis van Rusland in dit hyper-persoonlijke kader te zetten, schotelt de president de lezer een politieke antropologie voor die veel meer zegt over het wankele hervormingsproces dan nagenoeg alle Westerse positivistische beschouwingen bij elkaar. Dat Jeltsin daarbij terloops menig bondgenoot in Moskou tot op het bot kwetst, maakt zijn boek er alleen maar authentieker op. De Russische politieke cultuur is immers een perpetuum mobile. De leider heeft derhalve, terwille van zijn existentie, steeds nieuwe tegenstanders nodig. Na de val van Gorbatsjov in 1991 was dat ook het geval.

Politieke noodzaak

Het dagboek begint met het einde: het 'roemloze einde' van de burgeroorlog die parlementsvoorzitter Roeslan Chasboelatov en vice-president Aleksandr Roetskoj volgens Jeltsin in de zomer van 1993 hadden ontketend. Dit begin is geen compositorisch grapje van de auteur, maar een politieke noodzaak. In de succesvolle bestorming van het weerbarstige parlement verschuilt zich het ultieme leiderschap van Jeltsin. Via die overwinning manifesteert zich zijn gelijk. De zege van 4 oktober 1993 heeft zich volgens plan afgewikkeld, een plan dat uiteraard door Jeltsin is georganiseerd. Dat er in dit proces op gezette tijden onvermijdelijk chaos opdoemt, versterkt dat beeld nog. Want alleen als er geïmproviseerd moet worden, dat wil zeggen als het plan zijn eigen vijanden schept, kan de leider zijn kwaliteiten pas werkelijk etaleren.

Die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden aspecten van het ware Russische leiderschap (het plan plus de improvisatie) komen bij uitstek samen tijdens de 'oktober-gebeurtenissen' van 1993. Jeltsin begint met de beschrijving van zijn improvisatietalent. De ontmoeting op maandagmorgen 4 oktober om 5 uur met de elitetroepen Alfa en Vympel van de voormalige KGB is daartoe het bewijs.

Jeltsin had de mannen via hun twee commandanten eerder het bevel gegeven het parlement gewapenderhand in te nemen. De oppositie had zich daar in het Witte Huis onder leiding van Chasboelatov en Roetskoj verschanst. De verovering zondagmiddag van het gemeentehuis en de aanval even later op het omroepkwartier Ostankino waren de aanleiding geweest voor dit bevel. De officieren van Alfa en Vympel hadden zich die nacht echter ergens in het Kremlin verzameld. Jeltsin wilde ze daarom eigenlijk niet spreken. Maar de twee veiligheidsofficieren van de president smeekten hem. “Ik betrad de zaal waar ze zaten en allen stonden op om me te groeten”, aldus Jeltsin. “Ik keek ze aan en bijna allemaal sloegen zij hun ogen neer. Ik besloot de spanning niet op te voeren en vroeg onmiddellijk: bent u bereid het bevel van de president uit te voeren? Het antwoord was een zwijgen, een bangmakend en niet te verklaren zwijgen van de kant van de presidentiële militaire elite-eenheid. Dat duurde een minuut, waarin niemand een woord zei. Ik sprak luid: dan zal ik het anders vragen: weigert u het bevel van de president uit te voeren? Opnieuw was stilte het antwoord.”

Via een list van luitenant-generaal Michail Barsoekov, tevens commandant van het Kremlin, werd vervolgens toch een aantal vrijwilligers in een pantserwagen dicht naar het Witte Huis gedirigeerd. Formeel om een oogje in het zeil te houden, maar heimelijk in afwachting van de provocatie die de lont in het kruitvat kon worden. Aldus geschiedde. De jongens van Alfa stuitten bij het parlementsgebouw op een gewonde man die was geraakt door een van de sluipschutters die zich in en rondom het Witte Huis hadden verschanst. Een dertigjarige luitenant stapte uit de pantserwagen om de man te helpen. Maar hij werd zelf dodelijk getroffen door een 'sniper' van Chasboelatov en Roetskoj. “Toen de soldaten van Alfa te weten kwamen dat een van hun kameraden gesneuveld was, hoefden velen niet meer overgehaald te worden.”

Met andere woorden, het was op die maandag 4 oktober kantje boord. Alleen dank zij z'n trouwste a-politieke vrienden, die hij uiteraard zelf had uitgezocht, had Jeltsin het tij weten te keren. Want, met uitzondering van premier Viktor Tsjernomyrdin, had hij het van zijn officiële bondgenoten niet moeten hebben. Minister van defensie Pavel Gratsjov bijvoorbeeld had zich tot het laatst uitermate wankelmoedig gedragen. Gratsjov zei op het moment suprême weliswaar tegen Jeltsin dat zijn troepen al in Moskou waren, maar in feite had hij ze aan de stadsgrens staande gehouden omdat hij de kat eerst uit de boom wilde kijken. Kortom, Gratsjov had zich net zo gedragen als tijdens de augustus-putsch tegen Gorbatsjov in 1991. Toen had hij ook pas partij voor Jeltsin gekozen nadat het pleit reeds was beslecht.

“Het beeld was, zacht gezegd, bedroevend. Maar, hoe vreemd dat ook klinkt, ik twijfelde geen minuut. (...) Een paar mensen was die nacht de hele tijd in mijn buurt gebleven. Zij zullen kunnen bevestigen dat ik als nooit tevoren beheerst, rustig en absoluut zeker was dat de 4de oktober de laatste dag van burgeroorlog in de geschiedenis van Rusland zou zijn. (...) Ik had hard en afgebeten opgetreden en waarschijnlijk een aantal van hen beledigd. Maar voor genuanceerdheid was geen tijd. (...) Ik was mijn hoofd niet kwijt. Ik was geen seconde in verwarring of onzekerheid,” aldus Jeltsin over de nacht vóór de overwinning.

Fundamentele keuze

Hoe zou het ook anders gekund hebben? Want Jeltsin was die maandagmorgen niet alleen aan het improviseren. Hij had ook een plan. Ruim een maand voor de uiteindelijke bestorming wist de president al dat hij korte metten zou maken met het parlement dat hem in mei 1990 te paard had getild, in augustus 1991 pal achter hem had gestaan maar er in het voorjaar van 1992 toe was overgegaan zijn hervormingsbeleid te frustreren. “Het begin van september. Ik had een besluit genomen. Zelfs mijn meest naaste medewerkers wisten niet dat ik een fundamentele keuze had gemaakt. Rusland zou niet langer zo'n parlement hebben. (...) Als eerste was een juridische grond voor het decreet betreffende de ontbinding van het parlement noodzakelijk. Ik drukte op het knopje voor de directe verbinding met Viktor Iljoesjin (secretaris van de president, evenals Jeltsin afkomstig uit Sverdlovsk, zoals zo veel naaste medewerkers, HS) en verzocht hem langs te komen. En daarmee zette ik de machine in beweging. Van nu af aan zou een beproefde ploeg professionals zijn werk beginnen.” Er werd maar een beperkte groep ingeschakeld. Want “waarom worden mensen gekweld door wroeging en slapeloosheid? Door een teveel aan negatieve informatie”. Alleen de premier, alsmede de ministers van defensie, binnenlandse zaken en staatsveiligheid zouden enige tijd later worden ingelicht over het plan om het decreet op zondag 19 september uit te vaardigen en meteen het Witte Huis in te nemen. Zonder dat Witte Huis zou de oppositie “veranderen in een groepje schreeuwlelijken, niemand zou ze horen”.

Maar voordat het zover was, moest Jeltsin nog vele hindernissen nemen. Waarom? Omdat een aantal medewerkers de moed in de schoenen zonk. Zoals bij zijn kabinetschef Sergej Filatov, anders altijd een “rustig en evenwichtig man” maar nu oog in oog met het “uur U” ineens “verhit en emotioneel”. En de reeds genoemde Michail Barsoekov die plots ook geen gat zag in de door zijn president op touw gezette fluwelen putsch. Om nog maar te zwijgen van een bangerik als Gratsjov die op het kritieke moment zo geagiteerd was dat hij een stafvergadering alleen nog maar van een tevoren uitgeschreven tekst kon toespreken.

Mede door al deze slappe knieën moest Jeltsin de televisietoespraak, waarmee hij de oekaze bekend zou maken, twee dagen uitstellen. Zelfs toen het eenmaal zover was, bleken er nog vele beren op de weg te bivakkeren. Jeltsin, zo schrijft hij, had gedacht dat hij het parlement geruisloos had kunnen ontruimen door de afgevaardigden met geld (koffers vol roebels) en functies (in het presidentiële kamp) over te laten lopen en aldus te isoleren van het laatste restantje “extremisten”. Maar dat gebeurde niet. “Binnen in mij verliep een uiterst moeizaam en pijnlijk proces van beslissingen nemen, en daarom reed onze wagen niet recht over de weg, maar botste hij tegen bomen en kwam af en toe met een wiel in de greppel terecht. Tot op zeker moment, natuurlijk. Daarna zette het feit dat de nationale veiligheid direct werd bedreigd, alles weer op zijn plaats. (...) Maar om de wet te schenden om eruit te komen, och, wat was dat moeilijk. Ik werd mij er nogmaals van bewust wat democratie inhoudt. Het betekent vooral een zware, angstwekkende verantwoordelijkheid.”

Inderdaad, er waren al die weken maar een paar mensen die hem bij de eenzame verantwoordelijkheid steun boden. Behalve de bekeerde Barsoekov en zijn persoonlijke lijfwacht Sasja Korzjakov waren dat onder anderen premier Viktor Tsjernomyrdin en minister Viktor Jerin van binnenlandse zaken. De laatste liet zijn strijdkrachten aan de vooravond van de grote operatie al wat oefenen op criminele bendes rond de stations en vliegvelden van Moskou.

Karakterfouten

En al die andere loyale medewerkers van weleer dan? De bondgenoten uit het Gorbatsjov-tijdperk (burgemeester Anatoli Sobtsjak van Petersburg, ex-burgemeester Gavril Popov van Moskou en televisiechef Jegor Jakovlev) had hij hoe dan ook nooit echt vertrouwd - interessante intellectuelen maar te onafhankelijk - en dus altijd al op afstand gehouden.

Maar ook menig medewerker die hij zelf had uitgekozen, had Jeltsin reeds eerder successievelijk wegens karakterfouten moeten droppen. Zoals Joeri Skokov, die in maart 1993 werd afgezet als secretaris van de nationale Veiligheidsraad. Bij hem was eind 1992 een “ziekelijke afwijking” naar voren gekomen: paranoia. Of Gennadi Boerboelis, zijn intellectuele rechterhand van 1991-92 maar een jaar later geen geziene gast meer: in zijn gedrag was de “jaloezie, de wens sterke concurrenten op te ruimen, kortom, alle gevolgen van een ziekelijke eigenliefde aan het daglicht” getreden. En minister van staatsveiligheid Viktor Barannikov, die in maart 1993 nog demonstratief naast hem op de tribune bij Spartak-Feyenoord had gezeten maar vier maanden later wegens corruptie werd ontslagen: een “leugenaar” voor wie de president zich alleen nog maar kon “schamen”. Om nog maar te zwijgen van de bondgenoten van 1991: Chasboelatov en Roetskoj. De laatste had hem simpel “verraden”. De plotselinge “machtshonger” van de eerste is hem eigenlijk altijd een raadsel geweest.

De consequentie van deze eenzame strijd laat zich raden. Van 1991 tot nu heeft de democratie in Rusland aan een zijden draadje gehangen. Altijd heeft er gevaar geloerd. Steeds waren er wankelmoedige types op sleutelposties die terugdeinsden voor de “onomkeerbare” stap voorwaarts. In 1990 dreigde dat met Gorbatsjovs draai in conservatieve richting die alleen dank zij Jeltsins oppositie geneutraliseerd kon worden. In 1991 was het de staatsgreep waartegen de Russische leider zich toen op een tank te weer moest stellen. En in 1993 werd een burgeroorlog door Jeltsin gesmoord.

Sterker, de lucht is nog steeds niet opgeklaard. Natuurlijk niet. Maar weet één ding. “U zult tot aan de volgende verkiezingen voort moeten met deze president”, aldus Jeltsin in zijn slotclaus. “U zult dus klaar moeten komen met deze Jeltsin. Wat is het voor een mens, waar leidt hij ons heen? Die laatste vraag is bijzonder interessant. Waar leidt Jeltsin ons heen? Ik denk dan velen belang zullen stellen in het antwoord. (...) Rust voor Rusland is het belangrijkste doel van deze onrustige president.”

Dat het boek alleen over hem gaat is dus geen toeval. Dat er in het boek nauwelijks sprake is van enige analytische reflectie is dat evenmin. Het mislukken van de economische shock-therapie van premier Jegor Gajdar, het onvermogen om het vacuüm van de communistische partij zowel bestuurlijk als ideologisch op te vullen, de mondiale positie van supermacht Rusland (niet zomaar een staat maar het 'universum'), de structuur van de corruptie die heus niet alleen tot Barannikov is doorgedrongen en het waarom van de verpletterende verkiezingsnederlaag in december 1993: het komt niet aan bod. Het zou de voluntaristische benadering van Jeltsin alleen maar ondermijnen. En dat kan een Russische leider, die in de monarchale traditie van Peter de Grote en ook Lenin moet staan, zich niet veroorloven.