Bertrand Russell (1872-1970); Een eeuw lang heftig leven

Caroline Moorehead: Bertrand Russell. A Life 596 blz., geïll., Sinclair-Stevenson 1993, ƒ 62,70 (pb)

Hoewel het al ver in mei was lag de temperatuur dicht bij het vriespunt toen Bertrand Russell op een vroege zaterdagochtend in 1872 ter wereld kwam. Het is een detail, maar in het leven van deze beroemde filosoof, wiskundige, schrijver en politiek activist krijgt het een metaforische strekking. Russells hartstocht beperkte zich de eerste decennia namelijk in hoofdzaak tot logica en tot de wiskunde, die “niet alleen waarheid bevatte”, zoals hij later stelde, “maar ook opperste schoonheid, koud en streng als bij beeldhouwkunst”. Een journalist karakteriseerde zijn genie eens als een “beautifully frozen mind” en de filosoof Will Durant, die in 1914 een lezing van Russell bezocht, beschreef hem als “dun, bleek, zieltogend, koudbloedig” en “een formule op pootjes”.

De vier huwelijken en de talloze affaires uit het lange leven van Russell begonnen wel hartstochtelijk. De manier waarop ze telkens werden afgewikkeld, afgewerkt zou je bijna zeggen, suggereert echter opnieuw een kil en zelfzuchtig gemoed. De eind vorig jaar in paperback verschenen biografie van Caroline Moorehead besteedt veel aandacht aan deze kant van Russells persoonlijkheid, aan zijn pedanterie jegens vrouwen en aan de problemen in zijn verhoudingen, zijn familieleven en zijn vriendschappen, waar vroeg of laat steeds een einde aan kwam.

Bertrand Russell (1872-1970) stamde uit de liberale aristocratie. Zijn peetoom was de filosoof John Stuart Mill, die een jaar na zijn geboorte overleed. Niet lang daarna stierven zijn moeder en zijn zusje, ruim een jaar later gevolgd door zijn vader. De kleine wees werd daarom samen met zijn zeven jaar oudere broer Frank door hun grootmoeder opgevoed, een even vooruitstrevende als streng christelijke vrouw.

“Toen Bertie elf was, ontdekte hij Euclides,” schrijft Moorehead met fraai aplomb. Hij was alleen teleurgesteld toen Frank hem uitlegde, dat de axioma's van Euclides op hun beurt nog niet eens bewezen konden worden maar domweg dienden te worden geaccepteerd. Deze van Russell zelf afkomstige anekdote mag enig wantrouwen oproepen, ze tekent in elk geval de grote bezieling waarmee hij later probeerde een logische fundering aan de wiskunde te geven.

Samen met zijn aanvankelijke leermeester Whitehead volbracht hij deze immense taak in 1909, na tien jaar geploeter dat hem geregeld tot wanhoop dreef. De Principia Mathematica verbruikte het leeuwedeel van zijn wetenschappelijke energie, niet kwantitatief, gezien de enorme produktie die nog volgen zou, maar in de zin van inventiviteit en concentratie. Dat blijkt bijvoorbeeld, wanneer niet lang daarna de jonge Wittgenstein in Cambridge opduikt. “Wittgenstein”, zo schrijft Russell in 1912 aan zijn vriendin en minnares Lady Ottoline, “is een ware gebeurtenis in mijn leven geweest (...). Als ik met hem discussieer gebruik ik al mijn denkkracht om de zijne net te evenaren. (...) Ik voel dat hij de problemen zal oplossen die door mijn werk zijn opgeworpen.”

Vrije liefde

In deze tijd is van het in 1894 gesloten huwelijk met Russells eerste vrouw Alys weinig meer over. Vanaf het begin ging het gebukt onder zo'n rare laat-Victoriaanse paradox die bij meer veranderingsgezinden uit dit Oscar Wilde-tijdperk kon worden aangetroffen. Waar de Russells zich met de mond als voorstanders van de vrije liefde deden kennen vonden ze de lichamelijke liefde in praktijk van weinig belang. Seks was iets om besmuikt over te lachen, zoals uit Russells verslag van hun huwelijksreis valt op te maken. De aanvang van die reis was overigens ook niet veelbelovend: drie weken in het Twee Steden Hotel in een winters Den Haag.

Daar kwam nog een paradox bij, die al Russells verhoudingen teisterde. Hij had een uitgesproken voorkeur voor zelfstandige, intellectuele vrouwen, wat op gespannen voet stond met zijn vaak nauwelijks verhulde mening dat de vrouw intellectueel minder capabel was - en met zijn iets beter omklede maar onloochenbare zelfingenomenheid in het algemeen. Aan de andere kant koesterde Russell juist vooruitstrevende opvattingen over de rol van de vrouw: in 1907 deed hij zelfs mee aan de parlementsverkiezingen in Wimbledon als vertegenwoordiger van de Vrouwenkiesrechtbeweging.

Zijn politieke bewustzijn was enkele jaren eerder geactiveerd door de Boerenoorlog, tijdens welke hij van liberaal imperialist veranderde in een uitgesproken pacifist. Dit pacifisme en zijn steeds verder naar links opschuivende ideeën over een rechtvaardige maatschappij liepen in de Eerste Wereldoorlog uit op grote politieke activiteit. Toen de oorlog uitbrak was Russell verbluft hoe snel de waanzin om zich heen greep: “Een maand geleden”, zo betoogde hij, “werd een Engelsman opgehangen als hij een Duitser vermoordde. En nu is hij een goed vaderlander.”

Russell werd lid van het Genootschap voor Dienstweigering en nam in 1916 in een brief aan The Times de verantwoordelijkheid op zich voor de tekst van een pamflet tegen de dienstplicht. Hiervoor werd hij veroordeeld tot een boete van ¢8 100,- of 61 dagen hechtenis. Hij weigerde te betalen, maar de autoriteiten konden geen martelaar gebruiken en besloten een aantal bezittingen van hem in het openbaar te verkopen. Onder aanvoering van Philip Morell, echtgenoot van Lady Ottoline, kochten Russells vrienden zijn boeken en meubels voor hem terug.

Twee jaar later kwam hij alsnog in de nor. Het gezag, toch al niet welwillend gestemd door zijn aanhoudende protesten en zijn in 1916 verschenen Principles of Social Reconstruction, viel over een artikel in de Tribunal, het orgaan van het Genootschap voor Dienstweigering. Russell stelde hierin voor een door de Duitsers aangeboden vrede te accepteren. Verder schreef hij: “Het Amerikaanse garnizoen, dat tegen die tijd Engeland en Frankrijk bezet zal houden (...), zal zonder twijfel in staat zijn stakers te intimideren, een bezigheid waarmee het Amerikaanse leger thuis vertrouwd is geraakt. Ik wil niet beweren dat zulke gedachten bij de regering spelen. Alle tekenen wijzen erop dat er überhaupt geen gedachten bij de regering spelen, dat men van de hand in de tand leeft en zichzelf troost met onwetendheid en sentimenteel gewauwel.”

Dit kostte Russell een half jaar gevangenis, wat hem eerst goed beviel omdat hij er rustig kon werken. Maar allengs meer snakte hij naar het moment waarop hij zijn minnares, de toneelspeelster en schrijfster Colette weer in de armen kon vallen. Intussen had Russell ook een verhouding met de activiste Dora Black, met wie hij wilde trouwen omdat ze, net als hij, naar kinderen verlangde.

Lenin

In 1920 bezoekt Russell de Sovjet-Unie met een Labour-delegatie. Hij is er minder onder de indruk van de verworvenheden van de revolutie dan zijn toekomstige echtgenote. Ook over Lenin, met wie hij een persoonlijk onderhoud heeft terwijl de leider voor een beeldhouwer poseert, is hij weinig enthousiast. Bij zijn terugkeer schrijft hij een bittere aanklacht tegen de bolsjewieken, The Practice and Theory of Bolshevism.

Nog hetzelfde jaar krijgt Russell de uitnodiging om een jaar in China te doceren en hij grijpt de gelegenheid met beide handen aan, want in Engeland heeft hij met iedereen problemen. Met sommigen wegens zijn radicale houding in de oorlog, met anderen juist vanwege zijn kritiek op de bolsjewieken. Met Wittgenstein omdat die een onmogelijk karakter had en met vrouwen omdat die steeds problemen met Russells onmogelijke karakter hadden.

Niet bekend

Tijdens een autotochtje loopt Russell een dubbele longontsteking op. Enige dagen balanceert hij op het randje van de dood (er was toen nog geen penicilline) en via Japan wordt het nieuws van zijn overlijden al over de wereld verspreid. Maar hij komt er bovenop en heeft later veel plezier in het doornemen van zijn overlijdensberichten. Vooral die van een missieblaadje (aldus andere biografen), dat één regel aan de gehate atheïst wijdt: “Missionaries may be pardoned for heaving a sigh of relief at the news of Mr. Bertrand Russell's death.”

In 1921 keren ze terug, trouwen, krijgen een zoon en twee jaar later een dochter. Russell is dan over de vijftig, maar gek genoeg pas op de helft van zijn leven, dat in dezelfde hevigheid nog eens een halve eeuw verdergaat. Reizen, herhaaldelijk verblijf in Amerika, politieke acties, talloze publikaties, radio-uitzendingen voor de BBC, nieuwe huwelijken en affaires, relletjes, roem en verguizing, het gaat maar door. Fascinerend is de school op vrije grondslag die Russell met Dora in het oude telegraafkantoor van Frank vestigt voor kinderen van twee tot twaalf. De leerlingenraad had vèrgaande bevoegdheden, waarbij zelfs een keer de volwassenen werden weggestuurd, een besluit waarvan snel werd teruggekomen. (Op het terrein van de gezondheid bleef Dora de baas - zo werd de beslissing om pruimen van het menu te weren ongeldig verklaard.)

De ontknoping van dit idealistische experiment is ontluisterend. Door de buitenechtelijke actieradius van zowel Russell als Dora volgt een dramatische scheiding met langdurige ruzies over alimentatie en omgangsregelingen die een schril contrast vormen met de hooggestemde opvoedkundige beginselen van beide partners. Vooral Russell steekt hierbij Rousseau naar de kroon, die immers even grootse gedachten over opvoeding combineerde met het aan hun lot overlaten van de eigen bloedjes van kinderen.

In het volgende huwelijk van Russell, met Patricia Spence, valt eenzelfde patroon te herkennen. Pas zijn vierde kinderloze huwelijk, op tachtigjarige leeftijd met Edith Finch gesloten, krijgt het kalmere verloop dat bij anderen boven de dertig begint. In die laatste decennia is Russell een soort publieke wijze man geworden, Nobelprijswinnaar en een wereldfilosoof die zelfs poogt te bemiddelen bij de Cuba-crisis. Zijn politieke standpunten worden echter niet getemperd door de mildheid van de ouderdom, integendeel zelfs. Het radicale verzet van Russell tegen de atoombewapening en zijn felle veroordelingen van de Vietnam-oorlog waren vermaard en voor velen aanstootgevend.

Druppeltjes gif

Moorehead heeft een degelijke en bij vlagen meeslepende biografie geschreven, met een sterk accent op het persoonlijke leven van Russell. Jammer is het dat ze zo weinig aandacht besteedt aan Russells filosofische werk, te meer omdat de in 1975 verschenen standaardbiografie van Ronald W. Clark daar ook in te kort schoot. Weliswaar zijn er nog maar weinig opvattingen van Russell, die in de huidige filosofische debatten een rol van betekenis spelen, maar zijn invloed op het Angelsaskische denken is toch aanzienlijk geweest. Verder is het de vraag of Moorehead zoveel toevoegt aan de biografie van Clark, Russells driedelige autobiografie en wat daarnaast nog over zijn leven is gepubliceerd, ondanks al het nieuwe materiaal waar ze toegang toe heeft gehad.

Het lukt de schrijfster niet echt werkelijk greep te krijgen op dit paradoxale karakter, waarin Dr. Jekyll en Mr. Hide voortdurend van plaats verwisselen; waarin de koele, briljante wetenschapper snel ruilt met de emotionele, romantische minnaar; de bevlogen, geëngageerde held met de sceptische aristocraat; de gulle helper en kindervriend met de hypocriete rokkenjager. Voor een deel is dat te wijten aan de dorre academische mode van politieke correctheid. Moorehead schrikt er niet voor terug de oude womanizer voor haar rechtbankje te slepen en doseert - net zoals in het vroegere Oost-Europa boeken op volstrekt willekeurige momenten van citaten van Marx en Engels werden voorzien - door haar opgediepte opmerkingen van Russell met antisemitische strekking, of niet geheel zuivere meningen over homoseksuelen en zwarten. Weliswaar beschrijft ze veel later, hoe Russell in Amerika weigert lid te worden van een zwemclub omdat daar joden werden geweerd en hoe hij in New York pleitte voor de integratie van zwarten, maar tegen haar druppeltjes gif is geen kruid gewassen.

Vilein is Moorehead wel vaker. Nadat Russell genoeg heeft van zijn Amerikaanse vriendin Helen Dudley en zij naar de Verenigde Staten is teruggekeerd, krijgt ze een vreselijke ziekte, ze raakt verlamd en wordt krankzinnig. Moorehead vervolgt haar relaas dan zo: “Ik brak haar hart, constateerde Russell luchtig in zijn autobiografie.” Dat staat er inderdaad, maar wel in een andere context en volgorde. Russell hield naar eigen zeggen niet meer van haar door de schok die de oorlog bij hem teweegbracht, en dat brak haar hart. Volgt verslag van haar latere narigheid met als slotzin: “I feel still the sorrow of this tragedy.”

Bertrand Russell was niet alleen de koele denker en de white male chauvinist pig die Moorehead volgens de academische partijlijn soms van hem maakt. Het aardige van haar biografie is echter dat dit bewogen, complexe en bijna honderdjarige leven hier vanzelf uit de voegen barst van zulke kinderachtige encadreringen. Op de beste momenten klinkt er ook iets van de gekte van Russell door, als in het gedicht over de op hem geïnspireerde Mr. Apollinax van zijn student en latere vriend T.S. Eliot:

When Mr. Apollinax visited the United States

His laughter tinkled among the teacups. (...)

He laughed like an irresponsable foetus.

His laughter was submarine and profound.

    • Maarten Doorman