Zondebok

John Blankenstein is de rashond onder de scheidsrechters. Nadat hij geraakt was door het bericht dat hij straks de Europese Cup-final mag fluiten heeft deze onwettige zoon van James Dean in zijn Hillegoms stulpje een uur lang zachtjes zitten huilen. Arbiter naast God, nog wel in de stedenoorlog tussen Barcelona en Milaan, dit geluk was te groot voor een mens alleen. En John is alleen: op het veld, in de kleedkamer, thuis in Hillegom... Alle leven om hem heen komt uit het fluitje, nooit eens van een mens. Dat laat sporen na. Blankenstein schrijnt iedere wedstrijd vol in mooie grimassen, niet met woorden. Hij heeft het spreken verleerd. Een enkele keer ontsnapt hij aan zichzelf in een gebaar van vertedering bij een gekraakt schot van Latuheru maar halfweg de uitgeworpen streling slaat de gêne al toe. Alsof hij zich betrapt voelt in zijn oneindige mildheid trekt deze arbiter zich dan een kwartier uit de wedstrijd terug. Als lijfstraf.

Scheidsrechters voldoen aan het signalement van een liefdesgek. Ze laten zich lokken door de liefde voor het voetbal en ontdekken later pas het ingebouwde lijden van die verterende passie. Ze fluiten doorgaans hun spirituele schizofrenie weg met het air van een blauwhelm die weet dat hij het noodlot kan verslaan. Maar in de geborgenheid van de kleedkamer, bij het opvouwen van het zwarte broekje, slaat de metafysische melancholie toe: Stan Valckx zal altijd mooier draven dan hun ingestudeerde paradepasjes vermogen.

Met liefde voor het voetbal is niet alles gezegd. Dat Blankenstein, Van der Ende, Luinge en Schuurmans zich aan de hoon van de tribunes blootstellen zal ook wel te maken hebben met een genetisch misverstand. Een vader aan de drank, een Freudiaanse moederbinding, de publieke negatie van een homofiele onderwijzer, te veel soldatenhumor in het gezin, een vroeg opgelopen spierballenneurose, kortom veelsoortig kinderleed... Dan maar scheidsrechter. En natuurlijk is er de schaduw van Frans Derks als kwade genius van een traditie. Derks is jarenlang de Ron Brandsteder van het zwarte genootschap geweest. Fluiten was voor hem een substituut van denken. PR-strateeg van de barkruk en toch wervend. Hij liep en mimede als een tv-schotel. Geföhnd tot onder de gordel, heeft hij in zijn erotiserende heupdansen een hele generatie pubers meegenomen. Derks was commerciële televisie avant la lettre. In zijn tijd niets minder dan een sjamaan voor een jongen uit de Achterhoek met knieën en knoken van een kleuterleidster.

Zelfs Van der Ende heeft een paar Derks-tics overgenomen. Althans op het veld. Deze arbiter staat in het normale leven als een bewogen, lichtjes messiaanse arts zonder grenzen. Onbereikbaar gebleven voor de decadente rococo van de grote stad. Trouw aan het besef dat alleen het dorp het wezen voedt. Maar tussen voetballers wil ook hij virieler en cosmopolitischer zijn dan hij is. Dan zie je hem ineens losbarsten in groteske gebaren, een martiaal wenkbrauwenspel of, nog erger, in dialectische reprimandes tegen de maan. Hij loopt ook altijd met een Afrikaans kontje over het veld: de wiegende erotiek van de achterkant. Van der Ende wil zijn wedstrijd in de wedstrijd spelen.

Ik gun scheidsrechters alle egards. Ze mogen zich gedragen als de iconische representanten van koning voetbal. Niet als hofnarren. Humor is een slechte raadgever in een vol stadion waar het altijd om de primitieve rekening van winst en verlies te doen is. En waar uitbundigheid nooit het vlinderige elan kan bereiken dat zo mooi werd beschreven door Pascal. Daarom: de beste scheidsrechter is hij die anderhalf uur ongezien is gebleven. Een mens met het geluid van een merel, verder niets.

Scheidsrechterlijke waarnemingen zijn autonoom en souverein. Dat moet vooral zo blijven. De moderniteit van corrigerende televisiebeelden is een vloek. Sterker, zonder dwalingen van de arbitrale leiding overleeft het voetbal niet. Verlies is voor supporters alleen draaglijk als het kan worden opgehangen aan een autoritaire boeman. Zonder een scherp gevoel van verongelijking wenkt na een verloren wedstrijd, een verknalde competitie of een vernederend toernooi nog alleen de verdrinkingsdood. En daar komen op den duur lege stadions van. Voetbalbonden die nog behept zijn met enig vooruitgangsgeloof corrigeren hun arbiters niet maar bedenken integendeel een premiestelsel voor het recht op falen van die lieve man in het zwart.