Wij moeten het Zwitsersch leeren beheerschen; Metro, een satirisch verzetsblad

Het illegale satirische oorlogstijdschrift Metro had niet alleen de Duitsers als mikpunt. In het kaalknippen van 'foute' meisjes zag men 'den veredelenden invloed, die er van de Duitsche bezetting is uitgegaan.' Metro, waarvan een facsimile-uitgave is verschenen, vormt het middelpunt van een tentoonstelling in het Amsterdamse Verzetsmuseum.

Rob van der Nol en Jan Bruggeman (red.): Metro, satirisch ondergronds tijdschrift van 15 november 1944 tot en met 29 juni 1946. Uitg. Panda, 288 blz. Prijs ƒ 115,-.

Marten Toonder, tekenaar in oorlogstijd. T/m 4 september (di t/m vr 10-17u za/zo 13-17u) in het Verzetsmuseum, Lekstraat 63, Amsterdam.

Het was een schandelijk blaadje, schreef het ondergrondse Vrij Nederland in januari 1945. “De Metro is een symptoon van de toenemende verwildering van den geest, die geen smaak van wansmaak en geen humor van dronkemanslol weet te onderscheiden... Ja zelfs het leed van ons hongerend volk wordt aanleiding tot stomme grollen... Men zij gewaarschuwd.”

Waar sloeg dat op? Waarschijnlijk op een beschouwing in het nummer van 22 december 1944, waarin het dagelijks rantsoen van de hongerwinter (“enkele tientallen grammen broods, eenige aardappelen, een schijfje kaas en een half maggi-blokje”) voor de auteur aanleiding is de zaken cynisch om te draaien. Hij begint met te herinneren aan de tijd dat men er maar op los leefde, biefstukken met gebakken aardappeltjes verorberde en borreltjes met bitterballen bestelde, zonder te beseffen hoe tijdelijk dat alles zou zijn: “Wij zijn een zwak, verwend volk. En wij kunnen het Groote, Germaansche, Derde Duitsche Rijk er niet dankbaar genoeg voor zijn, dat het ons eindelijk tot een taai en gehard volk zal maken.”

De auteur was vanzelfsprekend anoniem, maar bleek na de oorlog de publicist Jan Gerhard Toonder te zijn. Samen met zijn tekenende broer Marten vormde hij de spil van het illegale blad Metro dat alle andere illegale bladen tegen de haren instreek met zijn spottende blik op de oorlogsomstandigheden. Zelfs bestond er aanvankelijk enige verwarring over de vraag aan welke kant dit blaadje eigenlijk stond, hoewel er tussen de grappen door wel degelijk ook ruimte was voor ernst. Zoals op 14 maart 1945, toen zelfs die grammen broods en die aardappelen nergens meer te krijgen waren en niemand meer aan iets anders kon denken dan eten: “Onze geestelijke kracht die was het laatste wat wij hadden, en het grootste - en ook die dreigt thans, in onzen honger, om te komen. Op den dag, dat ook de laatste Nederlander nog slechts over brood en grauwe erwten denken zal, op dien dag zullen er banieren in rood en zwart, met driehoeken en hakenkruizen, wapperen. En alleen een zware en verbeten strijd van ons allen, elk voor zich tegen zichzelf, kan het aanbreken van dien dag verhinderen.” Dat was allerminst dronkemanslol.

Nadat decennialang al in diverse publikaties aan Metro was gerefereerd, is het nu eindelijk mogelijk met eigen ogen de mérites van het blad te beschouwen. In een voorbeeldig verzorgde bundel heeft de Haagse uitgeverij Panda, gespecialiseerd in de herdruk van het levenswerk van Marten Toonder, alle 36 nummers in facsimile herdrukt. Het eerste exemplaar is vanmiddag uitgereikt aan W.F. Hermans, bij de opening van een tentoonstelling over Toonders oorlogsactiviteiten in het Verzetsmuseum in Amsterdam. Metro vormt daarvan het middelpunt.

Dekmantel

“Ik was erbij, en ik keek ernaar,” schreef Toonder in het tweede deel van zijn memoires over de oorlogsjaren, dat vooral een evocatief relaas was over het grauwe schemergebied tussen de ware collaboratie en het compromisloze verzet. Maar zo passief was hij in werkelijkheid allerminst. Met zijn Tom Poes-strip, die tot eind 1944 in de collaborerende Telegraaf bleef verschijnen, en een studio die eindeloos de afwerking van een Tom Poes-film bleef traineren, vormde hij - achter het bordje Hulpstudio 2 - een ideale dekmantel voor de illegale drukkerij D.A.V.I.D. van Dick van Veen en Jo Pellicaan. Er moet een onvoorstelbare brutaliteit voor nodig zijn geweest om in de Spuistraat, recht tegenover de in foute handen belande Arbeiderspers, een drukkerij te verstoppen waar diverse edities van bladen als Vrij Nederland, Het Parool en Trouw van de persen rolden, plus uitgaven van de illegale Bezige Bij en drukwerk voor andere verzetsorganisaties.

In dat boek, vorig jaar verschenen onder de titel Het geluid van bloemen, ging Marten Toonder niet erg diep in op Metro. Maar nu, in zijn voorwoord bij de facsimile-bundel, vertelt hij wat de directe aanleiding was. Al eerder hadden de gebroeders Toonder er bij Van Veen en Pellicaan op aangedrongen een eigen blad te maken, dat grimlachend speldenprikken zou toedienen waar de andere illegale bladen de botte bijl hanteerden. De beide verzetsstrijders vreesden echter dat zoiets veel te frivool zou zijn. Dat ook een satirische inslag effectief kon zijn, begrepen ze pas toen in september 1944 het wonderlijke blad De Gil verscheen - geen 'NSB-druksel', zoals Toonder het noemt, maar een onder Duitse supervisie samengesteld grollenblad waarin de Duitse zaak op een doortrapte manier, onder meer via schimpscheuten op de NSB, werd gepropageerd. Zo werd De Gil, geredigeerd door de dubieuze Willem W. Waterman, de aanleiding voor Metro. Oppervlakkig bekeken was het niet eens zo gek dat Vrij Nederland in zijn kritiek op Metro schreef dat het 'als twee druppels water' leek op De Gil.

De hoofdredacteur en voornaamste scribent werd Jan Gerhard Toonder. De belangrijkste leverancier van spotprenten was broer Marten, hoewel ook andere employés van de studio, zoals Henk Kabos, Wim van Wieringen, Carol Voges en Hans G. Kresse, voor het blad tekenden. Hun werk blonk, in vergelijking met het gemiddelde peil van de verzetsprentjes die toen heimelijk de ronde deden, uit in raffinement en perfectie. Dat gold vooral voor de prenten van Marten Toonder, die overigens geen enkele twijfel liet bestaan over zijn standpunt: meermalen tekende hij de lugubere doodshoofden die achter de Duitse maskers schuil gingen. Zijn karikaturen, een genre dat hij sindsdien nooit meer beoefende, zijn schitterend gelijkend. In hoekige, vaak horizontaal gearceerde vlakken zette hij de onderdrukkers op hun nummer. Zijn hang naar verfijning is ook uit de strips bekend, maar daarin waren de vormen altijd veel ronder en gemoedelijker dan hier.

Pesterig

Al uit het eerste nummer, van 15 november 1944, bleek dat Metro niet alleen de Duitsers als mikpunt had, maar af en toe ook een lange neus trok naar de andere verzetsbladen. Het droeg in de kop de aanduiding 5e jaargang nr 7. Dat was enerzijds een beproefde methode om het nazi-bewind op een dwaalspoor te brengen, en anderzijds suggereerde het dat Metro het oudste illegale blad van Nederland was, veel ouder dan Vrij Nederland of Het Parool. De grap werd in het vierde nummer nog vervolmaakt met het bericht dat tijdens een SD-inval 'één onzer allereerste nummers' was weggeraakt - en de vraag of er misschien een lezer was die nog een exemplaar had bewaard. Ter illustratie stond er een (uiteraard fictief) omslag van dat nummer bij afgebeeld, gedateerd op 22 juli 1940 en voorzien van de pesterige ondertitel 'het eenige geheime blad'.

Tijdens de bezetting verschenen zes reguliere nummers. Het 'eerste daglicht-nummer' dateert van 10 mei 1945. Metro zou zich, aldus de beginselverklaring van Jan Gerhard, als altijd laten leiden door 'liefde voor vrijheid, gerechtigheid en waarheid, en haat tegen verdrukking, ongerechtigheid en domheid'. Maar ook de satirische kijk op de gebeurtenissen had de redacteuren en medewerkers niet verlaten. Men was zijn tijd ver veruit door op 10 mei, vijf dagen na de bevrijding, al meteen scherp uit te halen naar het kaalknippen van meisjes die 'omgang' met Duitsers gehad zouden hebben: “Deze daad, die de menschelijke waardigheid in het algemeen en de Groot-Germaansche Cultuur in het bijzonder op een mooie wijze belicht, zal zeker de instemming hebben van ieder weldenkend Nederlander. Zij vormt een treffend voorbeeld van den veredelenden invloed, die er van de Duitsche bezetting is uitgegaan.” Die zat.

Twee nummers later werd een Canadese bevrijder door Kabos uitgebeeld als een gebronsde soldaat die, met drie horloges om zijn pols en een staande klok onder de arm, tegen iemand zegt dat hij no more cigarettes heeft. En in datzelfde nummer stond in juichtonen het bericht dat op de scholen voortaan geen Duitse les meer zou worden gegeven, maar Zwitsers: “Zoo zullen wij, zoodra wij in voldoende mate het Zwitsersch hebben leeren beheerschen, kunnen kennis maken met de oorspronkelijke teksten van auteurs als Heine, Lessing, Schiller, Goethe, Thomas Mann, Heinrich Mann, Klaus Mann, Lion Feuchtwanger, Bert Brecht, enz.”

Zuivering

Veel van hun toorn richtten de gebroeders Toonder in die naoorlogse nummers op het 'gepruts' van de Ereraden die de diverse beroepsgroepen moesten zuiveren van collaborateurs. In hun artikelen en spotprenten kwam dat onderwerp voortdurend terug - niet geheel zonder persoonlijke rancune, want zelf moesten ze zich ook aan die zuivering onderwerpen. Zo werd het Marten Toonder zwaar aangerekend dat Tom Poes en Ollie B. Bommel niet eerder uit de Telegraaf waren verdwenen. Hij tekende Bommel als een Don Quichotte die zo'n reus van een Ereraad te lijf ging, en Tom Poes als raadgever aan de kant: “Maar het zijn geen reuzen Heer Bommel! Het zijn windmolens!” Hun spot op de zuiveringen stond echter niet op zichzelf. Het feit dat de Ramblers korte tijd gedwongen waren hun heil in België te zoeken, omdat ze hier wegens hun oorlogsverleden niet mochten spelen, leidde tot een sarcastisch artikeltje onder de kop: 'Nationale veiligheid in gevaar gebracht door Ramblers'.

Het snelle herstel van de gevestigde orde was Metro een doorn in het oog. Al een maand na de bevrijding concludeerde het blad dat 11 mei 1945 kennelijk gewoon een vervolg was op 10 mei 1940 - alsof er in de tussentijd niets was gebeurd. Met zulk somber en provocerend geschrijf maakten de Toonders zich niet populair bij de gezagsdragers die de naoorlogse papierdistributie in handen hadden. In het najaar van 1945 kon Metro een paar weken niet verschijnen omdat er geen papiervergunning was verleend.

In juni 1946 hief de drukkerij het blad op. In één van de laatste nummers beeldde Toonder een brullende Nederlandse leeuw af, die stevig vastzat aan een paal met een dollar-teken erop. Op zijn laatste omslagtekening zitten de vertegenwoordigers van Amerika, Engeland en de Sovjet-Unie aan een vergadertafel. “De Parijsche conferentie is in de beste verstandhouding geopend,” staat eronder. Inderdaad hebben de heren op het eerste gezicht een uiterst genoeglijk onderonsje, bij sigaren en goede wijn. Maar bij nader inzien blijkt de Rus een pistool in de zijzak te dragen, terwijl bij de Amerikaan niet alleen een mes uit de schoen steekt, maar ook de atoombom onder tafel ligt.

    • Henk van Gelder