Plan voor basisfonds maakt kunstenaars tot de economische avantgarde

“Het is tijd dat we maar eens omonwonden zeggen: met alleen op kwaliteit gericht kunstbeleid, waar we de laatste jaren in de politiek voor hebben gekozen, komen we er niet. Er moet ook weer kunstenaarsbeleid gevoerd worden.” Dat waren historische woorden, die Tweede-Kamerlid Jeltje van Nieuwenhoven (PvdA) afgelopen woensdag tijdens een forum over kunstbeleid uitsprak in Amsterdam.

Praten over kunstenaarsbeleid was taboe in de Nederlandse politiek sinds de afschaffing van de steeds duurdere en zeer sociale Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) in 1987, waarbij kunstenaars in ruil voor kunstwerken een uitkering boven bijstandsniveau kregen - van het ministerie van sociale zaken, overigens, niet van WVC. Dat legt nu zich toe op het subsidiëren van de produktie van kwalitatief goede kunst: 'kunstbeleid', niet op het onderhouden van kunstenaars: 'kunstenaarsbeleid'.

Sinds die tijd leven duizenden kunstenaars in Nederland al dan niet bij tussenpozen van de bijstand. En omdat de banen niet voor het opscheppen liggen, groeide er bij Sociale Diensten een soepele houding ten opzichte van bijstandskunstenaars: zij mochten doorwerken zonder een zware sollicitatieplicht. In feite functioneerde de bijstand als basisinkomen voor noodlijdende kunstenaars.

Tot enkele jaren geleden, in het kader van de sanering van het sociale zekerheidsstelsel, een aanscherping van de bijstandsnormen werd aangekondigd. De bijstand is het uiterste vangnet voor hen die zelf geen inkomen kunnen verwerven. Voor mensen die kunst maken, waar toch geen droog brood mee te verdienen valt, was zo'n regeling niet bestemd, meldde Sociale zaken. Wie niet binnen een half jaar kon leven van zijn kunst, moest maar net als iedere andere bijstandsgerechtigde, ander werk zoeken. Per 1 januari dit jaar is die regeling van kracht. Daarmee is het sociale kunstenaarsbeleid dat nog versluierd voortleefde, definitief ten einde.

De kunstenaarsorganisaties en ook de Raad voor de Kunst kwamen in opstand tegen deze gang van zaken. Beginnende kunstenaars kunnen, steunend op de bijstand, niet binnen een half jaar hun beroepspraktijk opbouwen, stelden ze, en ook later moeten ze een 'tussenlanding' in de bijstand kunnen maken.

Het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars verzon om uit deze problemen te komen een list: het 'basisfonds voor kunstenaars', dat steun van alle organisaties kreeg. Het houdt in dat bijstandsgerechtigde professionele kunstenaars onder bepaalde voorwaarden voor een aantal jaren (drie tot zes) een basisinkomen kunnen krijgen, dat de helft bedraagt van het minimumloon (evenveel als driekwart van een bijstandsuitkering), ongeveer 900 gulden netto per maand.

In ruil voor dat in te leveren geld, krijgen de kunstenaars vrijheid terug. Vrijheid om - tot minimumloonniveau - zelf wat bij te verdienen op wat voor manier dan ook, en vrijheid om door te kunnen werken aan hun kunst: acteren, schilderen, musiceren, dansen, films maken of schrijven. Niet iedereen kan zo maar zo'n inkomen krijgen: er zijn professionaliteitseisen, een minimum omzet-eis, etc. Het 'basisfonds' is er op gericht kunstenaars zelfstandig te maken, via (verplichte) cursussen en dergelijke, stellen de bedenkers.

Nu de PvdA deze week als laatste grote partij haar bezwaren tegen het basisfonds heeft laten varen, is de kans groot dat de komende regeerperiode de kunstenaars krijgen waar ze al een jaar om vragen: een lagere uitkering. Ze zijn wat dat betreft waarschijnlijk de enige groep uitkeringsgerechtigden in ons land die zoiets willen, en vormen als zodanig nu eens niet een culturele, maar een economische avantgarde.