Killer

Net zoals Lyndon Johnson - toen een van zijn assistenten op een vliegveld tegen 'm zei 'that's your plane now, Mr. President', antwoordde “they're all my planes, son” - zo zou Jerry Lee Lewis op de vraag welke van de songs die hij zingt eigenlijk van hemzelf zijn, kunnen antwoorden: “They're all my songs, son”, en hij zou niet liegen.

Echt zelf geschreven heeft hij er in zijn hele leven misschien maar een stuk of drie, maar de honderden andere die hij heeft opgenomen zijn door zijn vertolking zo van slag geraakt dat hun geestelijke vaders en moeders ze niet meer terug zouden kennen al kwamen ze op Kerstavond bij hen aan de deur kloppen. En als ze hen wel zouden herkennen, riepen ze liever de eeuwige verdoemenis over zichzelf af dan hun geesteskinderen in die toestand binnen te laten. Ze zouden nooit meer een oog dicht kunnen doen.

Nog niet zolang geleden heb ik nog met eigen ogen kunnen zien hoe hij totaal uitgewoonde songs als Mexicali Rose en What 'd I Say als oude kranten in elkaar frommelde om ze in een handomdraai te veranderen in replica's van de Trevi-fontein of op z'n minst een rij dansende poppetjes. Ze leefden op als oude vrijsters in de kleedkamers van de Chippendales, die songs, en toen Jerry Lee met ze klaar was waren ze voor eventuele volgende gegadigden net zo verpest als diezelfde oude vrijsters bij het verlaten van die kleedkamers voor de vrijgezellen bejaardenvereniging in hun woonplaats.

Hij is nu bijna zestig, The Killer, en dat is verdomd jong voor iemand die al minstens zes levens en meer maag-operaties dan Liz Taylor face-lifts achter de rug heeft, en wiens aanwezigheid de herinnering aan voor geen goddeloosheid terugdeinsende rituelen uit heidense tijden wakker roept. Hij oogt afwisselend als een geheel tot zenen en pezen uitgedunde straatvechter die net een paar dreunen te veel heeft geïncasseerd, en als het soort senator uit Louisiana dat nevenverdient als commissaris van een keten luxebordelen in New Orleans, maar vooral als iemand die een oversized carnavalskop die Jerry Lee Lewis moet voorstellen op heeft gezet. Tenminste, tot het moment dat hij achter de piano plaatsneemt: zijn geschut, zijn vrouw, zijn laatste oordeel. Dan vernauwen zijn pupillen zich tot twee gloeiende speldepunten die gaatjes prikken in de ogen van wie zijn blik durft te kruisen en vouwt zijn hele gezicht naar de sneer die als een veeg lippenstift van de vrouw van een ander om zijn mond zit gesmeerd.

Het is alsof je een rilling door de piano ziet gaan wanneer Jerry Lee zijn handen naar haar uitstrekt, een mengeling van vrees en genot; je voelt haar bij wijze van spreken aarzelen of ze snel haar klep dicht zal slaan of met haar pedalen langs zijn kuiten zal strelen. Maar voordat ze een besluit heeft kunnen nemen, woelen de beverige vingers van Lewis al krachtig door haar toetsen en staat ze te stuiteren op haar poten.

Als een dolle hond die in de tuin naar een oud bot zoekt, graaft hij zich in het toetsenbord, zodat de blokjes wit en zwart ivoor hem om de oren vliegen. Wanneer ze allemaal op een hoop liggen, trekt hij ze als een Zenmeester tijdens een spelletje Mikado, stuk voor stuk los zonder één keer een andere te beroeren en timmert ze met een genadeloos hamerende beweging van zijn rechterwijsvinger sneller dan het blote oog kan waarnemen weer vast op hun plaats. Het volgende moment tikt hij ze echter net zo snel weer los, wipt ze omhoog en rolt ze met één vinger van elke hand als een rij dominostenen heen en weer. Of hij scheidt de zwarte en witte toetsen in twee aparte stapels die hij met de koele nonchalanche van een dealer in Vegas met een kort gebaar van zijn duimen weer in elkaar schuift.

Bij zijn linkerhand staat tussen de knokkels in onzichtbare inkt het woord 'lust' en bij zijn rechterhand het woord 'schuld' getatoeëerd, en zo wordt de onsterfelijke ziel van Jerry Lee als een vaatdoek over een wasbord over de toetsen heen en weer gesleurd. Na verloop van tijd wordt het echter onmogelijk om te onderscheiden waar vingers ophouden en toetsen beginnen: bij de nagels verandert vlees in ivoor en omgekeerd. Piano en speler zijn een en dezelfde geworden: een zanger.

Niet zo één die zingt om zich te uiten, dat is voor watjes. Als The Killer zich wil uiten plakt hij wel een paar pizza's tegen het plafond van zijn hotelkamer of bijt hij iemand een stuk uit zijn oor en pist 'm over de schoenen of spreekt hij via de bodem van zijn glas een hermetische boodschap in op het antwoordapparaat van zijn God. Als Jerry Lee zingt is dat in de eerste en laatste plaats om zich te koesteren in de weelde en de glorie van zijn eigen stemgeluid. Van de rock 'n roll-successen uit zijn jonge jaren, toen zijn haar nog als een witblonde waterval over zijn bezwete gezicht stroomde en niemand, niemand hem kon benaderen zonder verzengd te worden door het heilige vuur en de helse vlam van zijn met Jack Daniels geflambeerde adem, hebben de woorden al lang geleden hun betekenis afgelegd - als vrouwen in de hitte van de dans doen met de jurk die hen beknelt - maar hun effect is gebleven: geen oor binnen gehoorsafstand dat niet begint te gloeien van bijna moordzuchtige opwinding over alle zondige beloftes die het ingegeven krijgt.

Maar van wat voor demonische orgieën de extatische blikken in de ogen van het publiek ook de weerspiegeling zijn - Jerry Lee weet ze te waarderen als graadmeter van zijn kunst, maar heeft er verder part noch deel aan. Net zo min als dat de Duivel zich, na alle eeuwigheid die al verstreken is, nog kan warmen aan het vuur van de Hel, of God nog oprecht genoegen kan beleven aan de beproeving van de mens op aarde, kan The Killer nog verlossing vinden in rock 'n roll. De verte waar Jerry Lee in staart is de verte van het immer nabije einde en daar wacht een gigantische glimmende jukebox met onder elke knop een country-ballad zoals alleen hij die kan zingen: tegelijk smartelijk, smalend en smachtend, en met een gemak dat elk onderscheid tussen echt en onecht slecht.

De gedachte eraan overvalt hem meestal plotseling. In het hoofd dat schuil gaat onder de Jerry Lee Lewis-kop zwaait ergens een deur open en hij betrapt zichzelf in delicto flagrante, met zijn kruis tegen de piano gedrukt, woest pompend op haar toetsen en pedalen, en het volgende moment ziet hij in haar openstaande klankkast opeens zijn eigen doodskist. Geroerd door zijn eigen eindigheid zijgt hij neer op zijn kruk, graait snel wat rondslingerende accoorden in mineur bijeen en speelt net zo lang berouw tot hij vergeten is wat hij zingt en dat hij zingt en waar.

    • Roel Bentz van den Berg