Hulp voor zwakke geesten; Essaybundel van Norman Bryson over het stilleven

Norman Bryson: Het ongeziene in beeld. Vier essays over het stilleven, Vert. Mieke Bal e.a. Uitg. SUA,

In de schilderkunst gold het stilleven lange tijd als een onbeduidend genre. Pas aan het eind van zijn Groot Schilder-boek, uit 1707, besteedde de Nederlandse schilder en kunsttheoreticus Gerard de Lairesse er enige aandacht aan. In overeenstemming met de opvattingen van zijn tijd bracht hij het onderwerp laatdunkend ter sprake: 'tot behulp der zwakke geesten', zoals hij schrijft. Een schilder die zich door gebrek aan andere talenten toch met het stilleven wenste bezig te houden, werd door de De Lairesse geadviseerd om althans het decorum te handhaven en de weergave van rot fruit of verlepte bloemen te vermijden.

Aan waardering voor het stilleven ontbreekt het al lang niet meer en sinds Cézanne en de kubisten zich er over gebogen hebben, richt het kijken zich veeleer op de manier waarop een stilleven is geschilderd dan op de voorwerpen of etenswaren die er model voor stonden. In zijn essaybundel Het ongeziene in beeld gaat de kunsthistoricus Norman Bryson opnieuw uitgebreid op het stilleven in. Zijn verhandeling strekt zich uitover het stilleven uit de Oudheid, zeventiende-eeuwse Italiaanse, Spaanse en Nederlandse stillevens en een beperkt aantal achttiende-eeuwse Franse stillevens. Brysons talent schuilt in het beschrijven van de stillevens. Hij doet dat heel zorgvuldig en daarmee opent hij de ogen van de lezer voor onvermoede aspecten van de voorstelling. Ook vestigt hij de aandacht op minder bekende stillevenschilders zoals de zeventiende eeuwse Spaanse schilder Cotán. Bryson neemt diens stilleven van een kweepeer, een kool, een meloen en een komkommer onder de loep en ontdekt daarbij dat de groenten en de vruchten een sierlijke 'ruimtelijke curve' in beeld brengen.

Spielerei

Veel moeilijker is Bryson te volgen wanneer hij de schilderkunstige kwaliteiten van het stilleven buiten beschouwing laat om de voorstelling als een plaatje op te vatten dat hij nu eens aan de hand van contemporaine bronnen (bijvoorbeeld Jacob Cats in verband met het Nederlandse stilleven), dan weer met behulp van een (post-)modern begrippenapparaat poogt te verklaren. Deze werkwijze komt in wezen neer op intellectuele Spielerei; er valt immers niets te bewijzen. Op zichzelf hoeft dit zich geen bezwaar te zijn als de essayist over de benodigde kwaliteiten beschikt. Helaas schort het bij Bryson aan de kernachtige betoogtrant van iemand als W.F. Hermans die het in zijn Mandarijnen op zwavelzuur klaarspeelt om een overtuigend verband te leggen tussen de handel en wandel van een van zijn slachtoffers en diens kaalhoofdigheid. Hiermee vergeleken zijn Brysons essays zware kost. De auteur reconstrueert de betekenis van het goede, oude stilleven met behulp van het veel omvattende gedachtengoed van onder anderen Freud, Lacan, Lévy-Strauss, Barthes, Foucault, Baudrillard, Schama en Marx, die als uit de gratie geraakte denker overigens niet met name wordt genoemd.

Het doorgronden van dit geestesgoed kan geen sinecure worden genoemd en Brysons wijdlopige betoog maakt deze materie bepaald niet inzichtelijker. Nog afgezien van zijn onheldere formuleringen is ook de manier waarop hij de genoemde denkers voor zijn karretje spant nogal storend. Waarom het ene stilleven een Freudiaanse interpretatie ten deel valt en een ander stilleven ineens weer cultureel-antropologisch geduid wordt, onthult Bryson niet.

In het essay, getiteld 'Stilleven en 'vrouwelijke ruimte' ' komt de auteur tot een verbluffende betekenisreconstructie van zeventiende- en achttiende-eeuwse stillevens naar aanleiding van de verschillen tussen de seksen. De op deze stillevens afgebeelde ruimte wordt door Bryson tot een 'vrouwelijke ruimte' verklaard waarin de man niet vermag door te dringen. Dat de stilleven-schilders er dankzij hun masculiene virtuositeit toch aardig in slaagden om de 'vrouwelijke ruimte' weer te geven, wijst volgens de auteur alleen maar op - het woord kon niet uitblijven - 'vervreemding'. Wat Bryson met 'vrouwelijke ruimte' bedoelt, komt goeddeels neer op het clichébeeld van 'het vrouwelijk domein', te weten: de keuken met etenswaren, potten en pannen plus de huiskamer met de vazen met bloemen. Soms, alsof dit hetzelfde is, lijkt hij ook vrouwelijke ruimte gelijk te stellen aan besloten, 'intieme ruimte', een ander cliché.

In deze essaybundel komt het stilleven er als schilderkunstig genre bijna weer net zo bekaaid af als in de tijd van De Lairesse. Voor Bryson blijkt het voornamelijk als vehikel te fungeren voor een 'discours' dat even zwaarwichtig als vrijblijvend is.

    • Jan van Geest