Hoe loopt dat schaap nou precies? Matthijs Röling over het timmeren en tuinieren van de schilderkunst

“De mode dicteert dat je als jong schilder ergens tegenaan moet trappen. Heb je dat eenmaal door, dan is het met dat trappen snel gedaan.” Aan de Groningse kunstenaar Matthijs Röling, die is onderscheiden met de Amsterdamse Prijs voor de kunst, zijn trends op het gebied van de moderne kunst voorbijgegaan. Hij schildert figuratief, met verwijzingen naar Rubens, Vermeer en Bonnard.

De ellende van Benetton is verbannen. Ook Marlboro krijgt in dit landschap geen voet aan de grond. Een enkel hek, een schaap en een stoere elektriciteitsmast staan als houvast voor het oog in het blauw en het groen. Het is windstil vandaag en wat in de knop zit verschanst zich nog even, maar met moeite. Ook de mens houdt zich gedeisd. Hij behoort hier tot een zeldzaam soort. Een enkeling heeft zich roerloos geposteerd op een oprijlaan, handen in de zij, de borst vooruit. Zijn blik volgt de vreemdeling. De ander beweegt zich traag over slingerende wegen langs hereboerderijen, ontzagwekkend verankerd in de ruimte.

Tussen die Groningse landerijen, aan de rand van het dorp Ezinge, bij Garnwerd en Feerwerd, woont de schilder Matthijs Röling (1943). Deze maand is hij onderscheiden met de Amsterdamse Prijs voor de kunst (50.000 gulden) omdat zijn realistisch geschilderde werk een 'inspiratiebron voor velen is', aldus de jury. Een verbazingwekkende keuze, want in museumzalen en -bibiotheken zijn doeken noch catalogi van hem te vinden. Ook als exposant van Galerie Mokum in Amsterdam kreeg hij de afgelopen jaren nauwelijks aandacht. Hij schildert figuratief, ambachtelijk en elegant. Neo-geo, het wilde schilderen, het postmodernisme, het ironiseren over het kunstbedrijf: van alles wat trend was, is niets beklijfd.

Denk nu niet dat hij intussen van niets wist en zich in Ezinge als bittere zot vermande tegen vernieuwing. Zo lang als hij hier woont, twee decennia, geeft hij modeltekenen en -schilderen aan de Academie Minerva in Groningen, waar, naar eigen zeggen, niet iedere derde- en vierdejaars classicistisch hoeft te tekenen, mits men dan wel driftig ergens anders mee bezig is. Heel wat nieuwe lichtingen studenten zijn aan hem voorbijgaan. Hij heeft hier zelfs samen met vrienden, andere 'noordelijke realisten' of 'realistische fantasten', als Diederik Kraaijpoel en Wout Müller, school gemaakt. Zij houden van 'de sublieme facade van het meesterschap'. Want 'alle grote kunst is facadekunst', zoals Kraaijpoel het formuleerde in zijn omstreden boek De Nieuwe Salon. Een sympathisant als Siert Dallinga leerde bij hen het vak en behoort nu met zijn 'ouderwetse' naturalisme tot een voorhoede.

Rölings huis oogt uit de verte zo deftig als zijn familienaam. Een watertje voor de deur, een parmantig hek over een eigen bruggetje, en een tuin die verwaarloosd ligt te zijn. De schilder verwelkomt zijn gast alsof hij vanuit Garnwerd een ei komt lenen. Binnen is veel aan zijn lot overgelaten. De orde is minimaal. Het stof nestelt zich niet langer stiekem in hoeken en gaten, het heeft met paardelef bezit genomen van de gangen, de serres, de kamers en de dingen. Ooit moeten hier kinderen hebben geleefd die zich met gemak onvindbaar maakten. Aan plafonds bungelen smoezelige papieren lampionnetjes.

We zonderen ons af in de muziekkamer, waar een vleugel een soort archief moet torsen. Aan de wand hangen kleine doeken van Röling en zijn vrienden. Afbeeldingen van een gulzig naakt in het struikgewas en een vergezicht op de polder. De fijnste penselen kwamen er aan te pas. Een romantisch ingestelde fotograaf kan zich hier vergapen aan de samenraapsels van oosterse bronzen, poppen-in-ontbinding, krantefoto's en kwasten, die de deurposten en schoorsteenmantels bevolken. Het gave trompe l'oeil op de zachtgele binnenkant van de deur - een viool en een strijkstok, bungelend aan spijkers met een slagschaduw - maakt nostalgisch naar de tijden toen techniek er nog toe deed. Tussen dat alles beweegt de lange schilder zich hoekig en alert, als een reiger. Zijn grijze haardos is weerbarstig als helmgras. Zelfs deze vorstelijke woning lijkt niet op zijn lengte en vleugelspanning berekend.

De afgelopen nacht heeft Rölings oog in het centrum van Groningen een dreun opgelopen. Het staat wijnrood en paars gekaderd in een paar akelige sneden. Hij lacht erom, zoals hij vaker over iets zal lachen dat minder aangenaam is. Een bulderende lach die niet naar buiten mag komen, en dan maar schokkend en hijgend halverwege het lijf blijft steken.

“Ja, ik was stomverbaasd over die prijs. Ik vond het ook verwarrend, want op zo'n eer heb ik nooit meer gerekend. Ik ben niet voor niets ver weg in Groningen gaan wonen. Ik maak hier mijn schilderijen zonder ooit te denken dat ik in het officiële circuit nog een noot van belang zal meezingen. NRC Handelsblad boorde vele jaren geleden in een laatste recensie mijn werk de grond in en ook bij het Nieuwsblad van het Noorden zat de ene criticus na de andere zijn botte bijl te slijpen om dat wat ik te melden had in elkaar te hakken.

“Maar daar moet je mee leven. Het wordt een geuzeneer als de officiële kritiek je zo veracht. Daartegenover staat dat ik wèl altijd een welwillend publiek heb gehad. Wonderbaarlijk genoeg raak ik nog steeds alles wat ik maak meteen kwijt. Iedereen heeft erkenning nodig, en niets is zo prettig voor je zelfbewustzijn als het feit dat mensen je werk willen hebben en bereid zijn ervoor te betalen.”

Kunstooms

Matthijs Röling, zoon van de bekende polemoloog prof. dr. B.V.A. Röling (1906-1985), broer van architect Wiek Röling en neef van beeldend kunstenares Marte Röling, heeft kikkers en vleermuizen geschilderd met de anatomische precisie van zijn 17de-eeuwse collega Jacques de Gheyn. Het vlot gepenseelde portret van een zwarte man brengt met het grootste gemak Rubens in herinnering. Rölings dode spreeuw zou zeker Carel Fabritius hebben bevallen. Het standpunt dat hij inneemt om een liggend naakt in bad te portretteren moet van Bonnard zijn afgekeken. En dan zijn er nog knusse huiselijke schilderingen waaraan Vuillard zo was verslingerd.

“Inderdaad, Vuillard kijkt wel eens mee over mijn schouder en er zijn ook anderen die ik aanroep als ik bezig ben. Ik heb trouwens bij die kikkers volstrekt niet aan De Gheyn gedacht, maar als ik hem in een catalogus tegenkom dan denk ik 'Aha, kijk hier, dat is weer familie!' Want ik heb veel ooms in de kunstgeschiedenis. Weinig schilders hebben trouwens volstrekt autonoom gewerkt. Picasso was er een van, maar ook hij keek later naar Delacroix en Velasquez.”

Het realisme van Rölings kleine doekjes, miniaturen bijna, is gaandeweg vervloeid tot een meer impressionistische stijl, waar een herfstige tuin of een zandsteenkleurig stilleven in kan verkeren. Nergens heerst zorg of tumult, de rust blijft voor altijd onverstoorbaar. In grovere Frans Hals-streken boetseerde hij ook nog een serie naakte mannen op het linnen. Bleke mannen die niets te maken hebben met die behaagzuchtige stillevens uit de jaren zestig en zeventig, toen emaille kannen, ansichtkaarten en poppen in een wonderbaarlijk realisme wedijverden met veldbloemen, glaswerk of een zilveren kerstbal. In die bal spiegelt zich met een 17de-eeuws schildersvernuft het omringende kamerinterieur.

'Mijn ouders zijn het beste dat mij ooit is overkomen', heeft Röling eens opgemerkt. Het zijn hùn bezittingen die optreden in diezelfde stillevens en die ook met een exclusieve zuinigheid worden bewaard. Het tegenovergestelde hoort men vaker: Ouders als een lastige, innerlijke bagage. Hoe zit dat?

“Het waren bijzonder aardige mensen. We woonden in een mooi, groot huis, midden in het bos. Het mijne lijkt erop, met zijn dikke muren en hoge vensters, het is alleen kleiner. Dat huis van toen is bepalend geweest voor alles wat ik doe en denk en ik heb later ook geen enkele reden gevoeld om af te wijken van hun levensvisie.

“Wat voor levensvisie? Eerbied voor cultuur en natuur. Het lijken belachelijke platitudes, maar als ik bijvoorbeeld als klein jongetje thuiskwam stond mijn moeder in de tuin te wieden en dan legde ze me van alles uit over planten en bloemen. Ze spoorde me aan te tekenen. Pas achteraf realiseerde ik me dat het bijzonder is als je zoveel meekrijgt. Daarom ben ik een weinig opstandig mens geworden.”

Röling vertelt over zijn vader, de polemoloog prof. B.V.A. Röling, kort na de oorlog de jongste rechter van het Internationaal Tribunaal van Tokio, die later vaak als een beminnelijke wijsgeer op de televisie uitlegde waarom wereldmachten zich tijdens de Koude Oorlog gedroegen zoals ze zich gedroegen. Diezelfde vaak afwezige vader stuurde Matthijs van heinde en verre ansichtkaarten van schilderijen en van Perzische miniaturen. Ze moeten hier nog ergens liggen, weet de schilder, maar, zoals gezegd, de orde is minimaal, afgezien van de boekenkasten. Daarin staan de schildersmonografieën onberispelijk naar land gesorteerd; vroege Italianen, vroege Duitsers, vroege Fransen.

Schoppen

“Ik kreeg de kunsten met de paplepel ingegoten. Mijn vader had een deftige, orthodoxe smaak: Mozart, Shakespeare, Vermeer en de klassieken. Hij was daarnaast een opstandeling tegen katholieke dogma's en tegen autoriteiten die op verkeerde stoelen zaten. Ikzelf heb alleen een zekere opstandigheid gecultiveerd tegen de gevestigde orde van de abstracte schilderkunst. Die werd ruim dertig jaar geleden dogmatisch voorgeschreven. Ach, je moet als jong schilder ergens tegenaan trappen, dat wil de mode nu eenmaal. En heb je dat conformisme eenmaal door, dan is het met dat trappen weer snel afgelopen. Vanaf dat moment kon ik slechts in dankbaarheid jegens mijn ouders berusten in mijn lot.”

Na enkele jaren les op de Haagse Academie, waar hij gelijkgestemde 'figuratieven' als Co Westerik en Herman Berserik ontmoette, verwachtte Röling een verdere traditionele opleiding op de Rijksacademie in Amsterdam. Hij hield het daar een jaar uit. “Toch was die Provo-tijd in Amsterdam een bevrijding, het tegen autoriteiten tekeergaan heeft iets grappigs als je jong bent. Er moest in die tijd ook van alles veranderen. Zo'n Rijksacademie-directeur als Vroom was een karikaturale man, een ongekroonde maarschalk, die bij binnenkomst met veel poeha zijn jas in de armen van de portier wierp. Als hij het lokaal betrad om les te geven, moesten we een lichte buiging maken. Heel kinderachtig.

“In wezen heb ik in Den Haag als zestienjarige al de lijn uitgezet waarlangs ik me zou ontwikkelen. Ze hebben me daar veel bijgebracht, ze leerden me het timmeren en tuinieren van de schilderkunst. Onafhankelijke lieden die een eigen koers uitzetten. Toen al wist ik dat de dwangmatigheid waarmee van elke generatie vernieuwing in de kunst wordt geëist, niet bij mij paste. Ik wilde iets moois voortzetten, iets wat de moeite waard was voortgezet te worden.

“Ook in die tijd was er sprake van een ernstige ideologische verblinding. Ik ben bijvoorbeeld eens met de zoon van de dichter en schrijver J.B. Charles die samen met mij op de Haagse academie zat, mee naar huis gegaan. Wie de abstracte schilderijen van Willem Hussem niet mooi vond, was een fascist, zei Charles. Ik vond de schilderijen van Hussem vreselijk lelijk. Toen moest ik het huis dus verlaten, want ik wilde geen fascist genoemd worden.

“Die verblinding wordt nu nog uitgedragen. Wat de directeuren Edy de Wilde en Wim Beeren voor het Stedelijk Museum hebben verzameld vind ik door ideologie verblind, en dat geldt ook voor wat onze Frans Haks hier doet. Laat ze maar spelen, denk ik dan. Je moet er trouwens toch niet aan denken conservator of restaurateur te zijn van al die rotzooi. Maar laat ik toch vooral niet lelijk spreken over die mensen.”

Burenruzies

Het steeds terugkerende debat dat vooral Diederik Kraaijpoel voert over de voortzetting van de klassieke traditie versus het naoorlogse, dominante modernisme, uiteengezet in zijn boek De Nieuwe Salon, vindt Röling 'wel leuk'. “Mijn vriend en collega Diederik voelt zich geroepen om te mopperen en te donderen. En dat doet hij heel goed. Ik ben het met hem eens, alleen in details verschillen we van mening. Hij ziet bijvoorbeeld iets in het werk van Eugène Brands. Daar begrijp ik niets van! Maar verder vind ik het fijn dat Diederik zich opwindt. Ikzelf heb niet zo'n zin in heisa maken. Burenruzies zijn veel leuker dan eigen ruzies.”

Over eigentijdse kunstopvattingen leest Röling weinig, of het moeten de boeken van de Britse kunsthistoricus Ernst Gombrich zijn. Het Museumjournaal acht hij “schrikbarend proza”, hij leest het allang niet meer. Af en toe bezoekt hij exposities in Amsterdam, want hij is geïnteresseerd in het nieuwe, dat moet je een kans geven - zo heeft hij dat vroeger geleerd. Reizen doet hij het liefst naar Italië waar geen provincaals museum wordt overgeslagen. De Documenta in Kassel? Het voornemen is er wel, maar het komt er niet van.

“Ik houd het meest van die schilders die pretentieloos noteerden wat zij zagen. Je herkent het al bij de Romeinen en de Chinezen. De momenten dat er waarachtig is gekeken blijven je bij. Je ziet bij Giotto hoe hij op een detail even zijn best heeft moeten doen. Je ziet hem denken: hoe loopt dat schaap nou precies?

“Men legt vaak ten onrechte veel betekenissen in schilderijen. Een doek van Vermeer duidt op Hollands welvaart, op hoop en verdriet en weet ik al niet wat. Rembrandts bijbelse voorstellingen mogen zwanger zijn van betekenis, de doeken van Vermeer betekenen niets anders dan wat er te zien valt. Die man hield gewoon van mooie pakken en schone vloeren. Ik wou dat ik van die geboende vloeren had. Want ik verwijl graag in de ruimtes van Vermeer; met de meubels in de boenwas en met dames in frisse satijnen jurken.”

Vanaf begin jaren tachtig laat Rölings schilderarm het motorisch een beetje afweten. Een trompe l'oeil lukt niet meer. Hij is wanden onder handen gaan nemen, eerst thuis, in de muziekkamer. Tegen een heftig hemelsblauw, dat naar het koningsblauw van de renaissance neigt, verpoost zich rondom de deurposten een dromerig Chinees gezelschap onder parasols en uitwaaierend gebladerte. Ze lanterfanteren maar wat. Op de wanden van Het Nijsinghuis in het Drentse Eelde, dat een nieuw particulier museum voor figuratieve kunst wordt, zijn olifanten, ruïnes uit de oudheid, muzen en jonge knapen verschenen. In de aula van de Rijksuniversiteit Groningen speelt zich een 'fête galante' af dat Watteau zou bevallen. En met de plafondschilderingen in het Groningse cultureel centrum De Oosterpoort - onderaanzichten van springende paarden en parachutisten - lijkt Röling een hommage te brengen aan het schildersambacht, aan “die oplichters, die illusies wekken en die het platte vlak doen oplichten”. Thuis staan in zandsteen-beige doeken op de ezel vol 17de-eeuws Hollands straatvertier, een opdracht voor een cruise-schip.

Röling wijst naar zijn Chinese kamergenoten: “Ik houd van dit lome soort classicisme. Ik heb ook affiniteit met 18de-eeuws Chinees behang en met het arcadisch gedroom van een schilder als Puvis de Chavannes. Een beetje slap is het wel, vindt u niet? Al die wezenloze dames die niks anders hebben te doen dan wat bloemetjes plukken? Het is een zijïge, of zoals u wilt, een gelukzalige wereld die ik creëer, waarin ikzelf en hopelijk anderen zich prettig voelen. Ik heb niet veel pretenties of boodschappen aan de wereld. Ik ben een escapist die naar elders verlangt, naar rust en genot; weg van deze rotwereld, waar ik veel van houd. Ik vind het trouwens al een heel ding dat ik geen kwaad sticht.”

Via een immense stal lopen we weer naar buiten. De schilder beaamt het. Eigenlijk heeft hij het ouderlijk huis, zijn jongenskamer nooit verlaten. Die stal moet trouwens een theater worden met een feestelijk podium en, natuurlijk, met feeërieke muurschilderingen. Op de zandvloer ligt wat blik dat ooit een Lelijke Eend is geweest. “Is het niet afschuwelijk? Twintig jaar geleden wilde ik het hier al uitmesten. Het is er niet van gekomen. Altijd uitstel, praktische bezwaren en lastige gasten. Maar ja, zolang je niets doet, kan er nog van alles gebeuren.” Hij zegt het zachtjes - tegen beter weten in.

    • Marianne Vermeijden