Grappen in de boot; Nigel Williams op roeitocht over de Theems

Nigel Williams: Men in a Boat. Uitg. Hodder & Stoughton, 154 blz. Prijs ƒ 51,25.

Three Men in a Boat, het verhaal van Jerome K. Jerome over een roeitocht op de Theems, staat sinds zijn verschijning in 1889 genoteerd als een komisch meesterwerkje. Het geniet een reputatie vergelijkbaar met die van de Diary of a Nobody van George en Weedon Grossmith; het is in tientallen talen vertaald, en wordt nog steeds herdrukt als Penguin.

De grappigheid valt tegen, na honderdvijftig jaar. Jerome schrijft als een droogkomiek die zijn gezicht in de plooi houdt, verdeeld tussen lachlust en mismoedigheid over de ondoeltreffende mens, maar hij perst zijn humoristische vondsten uit totdat er geen druppel verrassing resteert. Zoals van de meeste humor van onze voorouders is van de zijne de aardigheid af. Sla een selectie van komische tekeningen van Punch aan het eind van de vorige eeuw op: hoe konden de tijdgenoten die verheugend vinden en niet moeizaam, met de lange verklarende onderschriften? Blijkbaar was het komische gevoel toen nog niet zo hoog ontwikkeld als bij ons.

Toch melden zich telkens weer lezers die Jerome K. Jerome leuk vinden, zodat de Penguin-uitgave rendabel blijft. Een van hen is Nigel Williams, bekend als romancier en toneelschrijver, die met een paar vrienden de roeitocht is gaan nadoen. Het was niet alleen omdat ik geld nodig had, schrijft hij in zijn eerste hoofdstuk na ons eerlijk verteld te hebben van een bezoek van mannen van de inkomstenbelasting met een aanslag van 28.000 pond. Het was ook omdat hij een liefhebber is van het origineel, en omdat Julian Barnes, Martin Amis en Ian McEwan hem aanmoedigden.

Door en door gemoderniseerd heeft hij het werk niet. In Hongarije, waar de vrouw van zijn broer opgroeide, mocht voor Kerstmis, beweert hij, een kind soms de staart van het varken vasthouden als het geslacht werd (het varken, niet het kind): die toevoeging tussen haakjes is echte ouderwetse humor, bekend van Jerome en vele honderden anderen. Net als zijn voorbeeld gaat dit reisverhaal nog niet voor de helft over het roeien en het kamperen; de rest zijn terzijdes waarvan de opgewekte informaliteit ons wil winnen. Wanneer Williams een echtelijke ruzie beschrijft of van een broer vertelt die zichzelf onnavolgbaar vindt in het bereiden van spaghetti bolognese, zit de grap meer in de imitatie van 1889 dan in zijn eigen bijdrage.

Wel is de stemming van Williams anders dan die van zijn voorganger; minder geposeerd en blijmoediger. Een enkele keer komt hij met iets nieuws van zichzelf uit de hoek, zoals wanneer hij zijn tegenzin bekent tegen naakt zwemmen en andere mannen benijdt die zich uitkleden en kranig rondlopen met hun geslachtsdelen 'bouncing around like children on a coach trip'. Zijn meest gedenkwaardige bijdrage staat in een van de voetnoten waarmee hij zijn boek een glans van bescheiden geleerdheid geeft. Hij stelt een aanvulling voor op de wet van Parkinson, van de strekking dat ieder plan om ergens iets aan te doen in evenwicht gehouden moet worden door een voornemen om er niets aan te doen, omdat het leven hem geleerd heeft dat “doing something about a problem nearly always makes it worse.”

Dat is rijpe mismoedige humor, die doet denken dat de rest van het boek meer eigen ideeën moet bevatten dan het op het eerste gezicht lijkt. Misschien is daar iets van aan, maar niet genoeg om te zeggen dat Jeromes werk er herboren of verjongd door lijkt. De drie mannen op hun boot zullen voortleven, nu zij er al zolang zijn. Van de tweeëneenhalve man (omdat een tweede vriend maar eventjes kwam en de volgende dag naar Londen terugkeerde) kunnen wij hopen dat zij tenminste flink wat van die ¢8 28.000 opbrengen.

    • J.J. Peereboom