God is een gele kever; Stefan Hertmans tussen autobiografie en verzinsel

Stefan Hertmans: Naar Merelbeke. Uitg. Meulenhoff, 191 blz. Prijs: ƒ 34,90.

Voor literair stuntwerk draait Stefan Hertmans zijn hand niet om. Hij laat in zijn verhalen rustig een vrouw bevallen van een miniatuur-kermis. Leeuwen worden bij hem verliefd op mensen, een dichter veranderde in een typemachine. Een operazangeres herbergt een duivelse nachtegaal die op onvoorziene momenten een tweede stem aanhief.

Met zijn nieuwe roman lijkt Hertmans een alledaagser pad te zijn ingeslagen. Na ietwat zweverige titels als Ruimte (1981), Gestolde wolken (1987) en De grenzen van woestijnen (1989), klinkt Naar Merelbeke om te beginnen al veel aardser. De titel doet een genoeglijke Vlaamse familiegeschiedenis vermoeden. Genoeglijk is inderdaad een goed woord, want het familiegeschiedenisje dat Hertmans ons voorschotelt, is met kennelijk plezier geschreven. Het speelt zich af in 'de polders', rondom een jongen die geen naam krijgt. Hij heeft een vader en moeder, broer en zussen, grootouders en, natuurlijk, een 'nonkel', nonkel Doresta, die vanuit de Franse stad Rouen als zijn leidsman en inspirator optreedt.

Naar Merelbeke is geen gewone streekroman, ook al bracht Hertmans er, voor de sfeer, het nodige Westvlaamse dialect in aan. Dat blijkt al meteen uit het eerste hoofdstukje, waaruit zijn Kafka-achtige preoccupatie met insekten spreekt. Daar wordt een kreupele, gele kever herkend als God. En wie de roman graag wil lezen als autobiografie, blijft achter met eigenaardig feitenmateriaal. Hoe zit dat met het rechterbeen van de hoofdpersoon dat zomaar afvalt en later ook zomaar weer aangroeit? Of is hij al die tijd dat hij hinkend en op krukken door het leven ging alleen maar, zoals zijn moeder suggereert, een 'aanstellerke' geweest, een simulant?

Een overzichtelijk verhaal vertelt Hertmans, kortom, niet en dat viel ook niet te verwachten. Toch is deze roman, zijn tweede, op menselijker maat gesneden dan de verhalen uit zijn vorige bundels, waarin het groteske en fantastische oppermachtig was. Werkelijkheid en verbeelding staan hier weliswaar op gespannen voet, maar houden wel zoveel verband met elkaar, dat ook de iets minder speels ingestelde lezer er zijn hoofd bij kan houden.

Naar Merelbeke houdt een mooi midden tussen autobiografie en verzinsel, dorpsverhaal en stadsroman, ernst en ironie en tussen ik en de wereld. Hier is overduidelijk iemand aan het woord die zich niet te veel in de kaart wil laten kijken en die zijn zoektocht naar de verloren tijd niet zomaar wil delen met jan en alleman. Met die tijd wordt toch al wat roekeloos omgesprongen. Hoe oud de jongen precies is, valt niet goed uit te maken. Bovendien is het niet alleen zijn stem die we horen, in het daar en toen, maar ook die van de volwassen geworden man, die met een mengeling van spot en deernis terugkijkt op zijn jeugd.

Paling Pol

De ik-figuur verliest zich niet in jeugdsentiment of in anekdotiek, maar vertelt min of meer afgeronde episodes. Korte bespiegelingen zijn het, verhalende essaytjes of essayerende verhaaltjes. Opmerkelijk bij al die losse episodes is dat de blik van de verteller niet naar binnen is gekeerd, zoals meestal het geval is bij jeugdgeschiedenissen, maar naar buiten. Liever verwijlt hij met zijn gedachten in het geheimzinnige grote land achter wat toen nog het IJzeren Gordijn was, in de Ruimte of de Oertijd dan in het heden van de polders. De aanleiding voor die bespiegelingen ligt wel steeds in het leven zelf: in een paling, Pol geheten bijvoorbeeld, of in een geur, een kastanjeboom, berkezaadjes, stempels van zijn vaders kantoor, of in de ontdekking dat vrouwen net als mannen benen hebben en dus helaas net zo gespleten zijn.

Hertmans' hoofdpersoon is geen gewone plattelandsjongen, maar een schrijver, een kunstenaar in de dop, die de wereld en de mensen om hem heen met een dubbelzinnig artistiek oog beziet en die uit is op dubbelzinnige sensaties. Zo vervult een overstroming in het oeverlandschap waar hij woont, hem met angst, maar ook met verrukking om het onvoorziene, grensoverschrijdende karakter ervan.

Hij ziet als het ware steeds twee dingen: de werkelijkheid en de afbeelding die de mens ervan maakt. Dat laatste bevalt hem steevast beter dan het eerste. Pas de afbeelding stelt hem in staat de werkelijkheid te ondergaan. De lucht wordt voor hem pas spectaculair nadat hij er zestiende-eeuwse schilderijen van heeft gezien. Zo verliest hij zich ook liever in dagdromen dan in de dag zelf en bevalt een gefantaseerd Merelbeke hem aanmerkelijk beter dan het grauwe dorpje in kwestie.

De veelgeroemde zuiverheid van de jeugd, de onbevangen blik van het kind is hier ver te zoeken. Bijna alles wat wordt aangeraakt door de hoofdpersoon, die ook de schrijver van deze roman zou zijn, raakt vertroebeld en besmet. Tussen het gelukkige huwelijk van zijn ouders komt de suggestie van overspel te staan en een onopgehelderde foetus op sterk water. Een nichtje verliest door zijn toedoen een oog en nonkel Doresta, van wie hij de schrijfkunst heeft afgekeken, komt op potsierlijke wijze om het leven. Ook zijn eigen, latere huwelijk, waaruit twee 'barbaren' voortkomen, lijkt weinig gelukkig.

Hertmans heeft een fraai evenwicht weten te bewaren tussen de drassige poldergrond waarin zijn held met één been wortelt, en Rouen, de geboorteplaats van Flaubert, waar hij zijn pen voor het eerst op papier zet. De roman wordt, hoezeer ook een schrijversroman met dubbele bodem, nergens hinderlijk poëticaal. Naar Merelbeke is Hertmans' luchthartige en innemende portret van een kunstenaar als jonge man. Het zal wel niet toevallig zijn dat de grootvader van zijn held als twee druppels water lijkt op James Joyce.

Uit: STEFAN HERTMANS, NAAR MERELBEKE

“Wanneer ik het raam opende, kwam de slikgeur binnen. Wat overdag nog een tamme strook van schuivend water tussen twee graslanden was, werd 's avonds tot een schuivend plein, een vlakte die bij de drempel begon en ergens eindigde tussen de wilgen in de verte.

Het gebeurde nooit in schokken; het was de zachtheid zelve, iets als sneeuw, maar dan zwart en verraderlijk, het complement van sneeuw. Een zwarte, vloeibare duivel likte met zijn tong aan serres, moestuinen, notelaars en drempels. Ontelbare zwarte vingers wrikten zich tussen steen en wortels, rond omheiningen en palen, en werden daar een glad geheel. Je hoorde vee dat loeide in de stallen, allerlei ruisen, verschuiven, ritselen en vluchten. Alles kreeg pleinvrees en wilde weg. Alleen wij bleven achter. (-) Mijn leven lag in de handpalm van een kracht die niet van deze wereld was, die niet van mensen en hun grillen afhing, maar van iets groters, iets dat ouder en dieper was dan wij. Ik snoof de slikgeur op.''

    • Janet Luis