Gebruik spaarloon voor oude dag levert dubbel fiscaal voordeel op

Sedert 1 januari 1994 gelden voor werknemers diverse nieuwe spaarfaciliteiten. Onder andere betreft dit de spaarloonregeling. Het spaarloon kan de werknemer gebruiken om een oudedaglijfrente te kopen. De weg voor een individuele oudedagrekening voor de werknemer is hiermee geopend.

De in januari in werking getreden nieuwe belastingwet is bedoeld om winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers te bevorderen. Daartoe is in de Wet Loonbelasting vastgelegd dat niet tot het belastbare loon behoren uitkeringen ingevolge een premiespaarregeling of een spaarloonregeling. Voor de spaarloonregeling geldt een belastingvrijstelling van een deel van het brutoloon van maximaal 1.541 gulden per jaar (bedrag 1994).

De betalingen voor een spaarloonregeling zijn eveneens vrijgesteld van de heffing van sociale premies. Een spaarloonregeling is een schriftelijke regeling die voorziet in het sparen van loon, onder voorwaarde dat dit spaarloon gedurende een periode van vier jaar niet ter beschikking van de werknemer komt. Het uitgangspunt is dat de werkgever het spaarloon stort op een afzonderlijke rekening, de spaarloonrekening, beheerd door aangewezen banken, kredietinstellingen, spaarfondsen, verzekeringsmaatschappijen of daarmee vergelijkbare rechtspersonen. Na de blokkeringsperiode van vier jaar zou de werknemer er dan over kunnen beschikken. Slechts in verband met de aankoop van een eigen woning of bij tussentijds ontslag mag de werknemer eerder over het spaarloon beschikken. Het is echter ook toegestaan het spaarloon rechtstreeks te betalen aan een verzekeringsmaatschappij voor een lijfrente. Dit verzekeringssparen mag ter verkrijging van een levenslange of een tijdelijke oudedagslijfrente of voor een uitkering aan meerderjarige arbeidsongeschikte kinderen. De spaarloonmogelijkheden staan overigens niet alleen open voor werknemers. Sedert 1 mei is ook voor ambtenaren een spaarloonregeling van kracht. De minister van binnenlandse zaken en de ambtenarenvakcentrales hebben daarover overeenstemming bereikt. Ter uitvoering daarvan hebben de centrales de Stichting Spaarfonds SCO (Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel) opgericht.

Het verzekeringssparen biedt ideale mogelijkheden om voor de oude dag te zorgen. Het pensioensparen heeft hiermee zijn intrede gedaan. Verzekeringsmaatschappijen hebben deze mogelijkheid al ontdekt en hebben speciaal op het sparen toegesneden produkten. De voorwaarden voor het verzekeringssparen staan toe dat een levenslange lijfrenteuitkering wordt gekocht. Hiermee kan de werknemer gaten in de pensioenopbouw opvullen, die zijn ontstaan door pensioenbreuken, door de achteruitgang van de AOW of anderszins. Een andere mogelijkheid is om een tijdelijke overbruggingslijfrente te kopen. Deze tijdelijke lijfrente moet eindigen bij de leeftijd van 65 jaar en is zeer geschikt om een eigen VUT-regeling te treffen. Om een indicatie te geven. Als een werknemer van zijn 35e tot zijn 62e jaar telkens het spaarloonbedrag van 1.541 gulden inzet, kan hij een drie-jaar-durende lijfrente van ongeveer 30.000 gulden per jaar verzekeren.

De pensioenverzekeringen die met het spaarloon voor de werknemer tot stand komen, zijn volledig individueel van opzet. Er is in wezen sprake van een individuele oudedagrekening. De pensioenrechten die de werknemer daaraan ontleent, ondervinden derhalve geen enkele invloed van veranderingen in de werksituatie van de werknemer. Een verandering van werkgever levert geen pensioenbreuk op. Het is zelfs zo dat de werknemer bij een nieuwe werkgever gewoon via de zelfde verzekering voor zijn pensioen kan blijven sparen. Juist daarom is de individuele oudedagrekening nog wel eens gepropageerd. Voor de werknemer is het ook niet meer dan logisch dat hij zijn eigen spaargeld kan behouden bij een verandering van baan.

Door via het spaarloon voor zijn oude dag te sparen kan de werknemer fiscaal dubbel profiteren. Ten eerste is het spaarloon een niet belast deel van het brutoloon. Ten tweede is het spaarloon vervolgens in de vorm van verzekeringspremies bij de werknemer aftrekbaar voor de inkomstenbelasting als persoonlijke verplichting. Door het belastingvoordeel kost de verzkering voor een werknemer met een inkomen in de 50 procent schijf slechts 770,50 gulden (50 procent van 1.541 gulden). Bij een inkomen in de 60 procent-schijf is het voordeel groter, bij een lager inkomen is het voordeel geringer. Het belastingvoordeel neemt nog toe indien het pensioensparen is gecombineerd met een premiespaarregeling, waarbij de werkgever en de werknemer ieder een spaarpremie financieren. De combinatie van spaarloon- met een premiespaarregeling kan met name voor werknemers met een inkomen in de 60 procent-schijf dankzij de belastingaftrek een financieel voordeel opleveren. Het is dit effect dat voor minister De Vries aanleiding was om de vraag te stellen of de regeling niet te ruimhartig was opgezet.

Kan de werknemer via het spaarloon een eigen pensioenvoorziening opzetten, het spaarloon kan tevens consequenties hebben voor de gewone pensioenregeling. Het spaarloon is weliswaar een belasting- en premievrij deel van het brutoloon voor de werknemer. Maar de premievrijstelling geldt alleen voor de premies sociale verzekeringswetten en niet voor premies verschuldigd op grond van een particuliere aanvullende pensioenregeling. Indien voor de pensioenregeling premie verschuldigd is over het brutoloon - het brutoloon is dan de premiegrondslag - dient dus ook over het spaarloon pensioenpremie afgedragen te worden. Veel werkgevers leven ten onrechte in de veronderstelling dat over het spaarloon in het geheel geen premies zijn verschuldigd. Deze werkgevers lopen het risico van een grote navordering van pensioenpremies. Een zelfde opmerking als voor de pensioenpremies is gemaakt, gaat op voor de pensioenuitkeringen. Wanneer de uitkeringen berekend worden over het brutoloon, zal het spaarloon gewoon pensioendragend zijn. Alleen indien in een pensioenregeling is bepaald dat als pensioenloon geldt het loon in de zin van de Coördinatiewet sociale verzekeringen, valt het spaarloon buiten de boot van de pensioenregeling. Dat is het logische gevolg van een koppeling van de pensioenregeling met het premieloon sociale verzekeringen. Werknemers moeten er dan wel op bedacht zijn dat het spaarloon hun pensioenuitkering vermindert. Een aanpassing van de pensioenregeling op dit punt lijkt mij voor de hand te liggen. Het zal toch niet de bedoeling zijn de werknemer te laten pensioensparen om zo een gat in de pensioenuitkeringen te dichten, dat juist ontstaat door het pensioensparen.

    • Prof. Dr. E. Lutjens