Foppende prulpoëten; E. du Perron en het modernisme

Manu van der Aa: E. du Perron en de avant-garde. Kroniek van een heilzame ziekte. De Nieuwe Engelbewaarder 5. Uitg. Bas Lubberhuizen. 124 blz. Prijs: ƒ 22,50.

Over Eddy du Perron lijkt bijna alles al geschreven. Toch bleef in de stapel studies, artikelen en monografieën één periode onderbelicht, die van zijn belangstelling voor nieuwe, avantgardistische kunststromingen in de jaren twintig. Fokkema en Ibsch benadrukken in hun standaardwerk Het Modernisme in de Europese letterkunde het belang van deze jaren voor Du Perrons latere werk, maar komen aan een analyse niet toe. In een kleine studie probeert Manu van der Aa de contacten die Du Perron onderhield met de (Antwerpse) avant-garde in kaart te brengen.

Tweeëntwintig is Du Perron als hij met zijn schatrijke familie Nederlands-Indië verlaat en zich vestigt in Brussel. Hij stort zich nieuwsgierig in het Europese kunstenaarsleven. Zijn eerste gids is Clairette Petrucci, op wie hij hartstochtelijk maar tevergeefs verliefd wordt. Zij kende de Parijse kunstwereld en liet hem het werk van Cocteau, Max Jacob en Apollinaire lezen. Du Perron was er niet onmiddellijk van onder de indruk. In 1922 dichtte hij: “Ik heb de pest aan die zoo erg moderne schaar/ van prulpoëten die de goegemeente foppen.”

Toch reisde hij in datzelfde jaar naar Parijs, om er in Montmartre van het bohemièn-bestaan te proeven. “Dat ik niet werkelijk armoe leed, de ellende van de echte bohème niet doorstond, achtte ik geenszins een bedenking (-). Vergeleken met het bestaantje dat ik hebben kon, wàs ik arm,” zo rechtvaardigt du Perron zich later voor deze romantische onderneming. Dank zij de criticus Pascal Pia leert hij de avant-gardeliteratuur kennen. Deze verkenningstocht vindt zijn weerslag in het boekje Manuscrit trouvé dans une poche, waarin Du Perron verschillende moderne technieken, zoals het vrije vers en het weglaten van interpunctie, uitprobeert om in afatisch gebrabbel te eindigen. Gezien het tragisch einde van de dichter van het Manuscrit kan het boekje onmogelijk gezien worden als een liefdesverklaring aan het moderne, maar eerder als een waarschuwing aan andere kandidaat-avantgardisten.

De Antwerpse tijd van Du Perron en zijn relaties tot Seuphor, Carel Willink, Paul van Ostaijen en Jozef Peeters krijgen veel aandacht in de studie van Van der Aa. Met Peeters begint de jonge schrijver in 1924 uitgeverij de Driehoek. Onder het pseudoniem Duco Perkens schrijft hij zijn eerste literaire recensies voor hun gelijknamige tijdschrift, dat negen abonnees heeft. Verder worden met het familiekapitaal van Du Perron zeven uitgaafjes gefinancierd, waarvan twee van Paul van Ostaijen, tot de Driehoek een jaar later een stille dood sterft.

De opvattingen van Du Perron botsten met het bloedserieuze constructivisme van Peeters, aldus Van der Aa. In deze jaren publiceert Du Perron werk dat op moderne leest geschoeid is, zoals de kleine roman Het roerend bezit, en de dichtbundel Kwartier per dag (beide 1924), maar hij schrijft ook gedichten in een traditionele vorm, zoals de pikante dichtbundel Agath en de kwatrijnen uit Filter (beide 1925).

Met die ambivalente houding van Du Perron weet Van der Aa niet goed raad. Hij sluit de traditionele werken van zijn onderzoek uit, maar realiseert zich onvoldoende dat hij zo onmogelijk tot de beoogde synthese van Du Perrons houding tegenover de avant-garde kan komen. Bovendien stoort hij zich niet aan het verschil tussen modernisme, avant-garde, dadaïsme, surrealisme en constructivisme, maar noemt alles modernisme wat Du Perron in de jaren twintig als modern ervoer. Waarom Du Perron het modernisme in 1929 als een heilzame ziekte omschrijft, wat dus de positieve invloeden ervan op zijn latere werk zijn, blijft door het ontbreken van conclusies en grote lijnen onduidelijk.

Van der Aa heeft zich helaas beperkt tot de jaren 1921-1926, wanneer in een obscuur avantgardistisch blaadje het symbolische overlijdensbericht van Duco Perkens, Du Perrons modernistische alter ego, gepubliceerd wordt. Du Perron zelf situeert het einde van deze periode een vol jaar later, zo blijkt uit zijn Aantekeningen over Modern Vlaanderen: “1927 (-) De idiote ruzie hierover. Slot van alle 'modernisme' en van relaties met deze hoek van Vlaanderen.”

    • Jinke Obbema