Er is alleen maar buitenkant; Gerrit Komrij, een onaanraakbaar dichter

De gedichten van Gerrit Komrij zijn veel dingen tegelijk: ernst en ironie, waarheid en bedrog, kunst en kunstje. Er zit een vrolijke rederijkerskant aan, maar ook een echte experimentele kant. De goedkope, gebonden uitgave van de verzamelbundel 'Alle gedichten tot gisteren' was binnen enkele weken uitverkocht. Deze week verschijnt een paperback-editie.

Gerrit Komrij: Alle gedichten tot gisteren. Uitg. De Arbeiderspers. 496 blz. Prijs ƒ 49,90 (paperback).

Gerrit Komrij: Onherstelbaar verbeterd. Derde, uitgebreide druk. Uitg. C.J. Aarts. 48 blz. Prijs ƒ 14,90.

Weinig poëzie is zo bizar en ingewikkeld als die van Gerrit Komrij. Hoe iets te beweren over een dichter die er eigenlijk niet wil zijn? 'Ik ben er niet. Geen bloedbaan ruist in mij,' zegt hij in 'Antipode'. Hoe iets helders te zeggen over iemand die, in hetzelfde gedicht, niet kiest voor de 'de helderheid der dingen', maar voor 'de vale schutskleur van het kameleon'? Waarom zouden we ons willen bemoeien met iemand die keer op keer zegt: noli me tangere, raak mij niet aan? Het is moeilijk niet verstrikt te raken in het labyrint van zijn poëzie, een labyrint waarvan Komrij graag beweert dat het 'onzichtbaar' is.

Als de dichter er zelf niet wil zijn, dan moeten we zijn poëzie maar op een andere manier zien te karakteriseren. In het begin van de jaren dertig schreef ergens in Lissabon een dichter dit zelfportret, dat ook een portret van de dichter Komrij zou kunnen zijn:

Autopsychografie

De dichter wendt slecht voor.

Hij veinst zo door en door

Dat hij zelfs voorwendt pijn te zijn

Zijn werkelijk gevoelde pijn.

En zij die lezen wat hij schreef

Voelen in de gelezen pijn

Niet de twee die hij geleden heeft

Maar een die de hunne niet kan zijn.

En zo rijdt op zijn rails in 't rond

Tot vermaak van onze rede

Die opwindtrein, in dichtermond

Ook wel 'het hart' geheten.

De naam van de dichter was Fernando Pessoa, die behalve onder zijn eigen naam ook schreef onder die van Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Álvaro de Campos: vier schijngestalten van één persoon. De verschijning van zijn Gedichten in 1978, in de vertaling van August Willemsen, was een kleine sensatie. Zelden zal een buitenlandse dichter in zo brede kring herkend zijn, door zoveel uiteenlopende dichters en zelfs door een relatief groot publiek (vorig jaar verscheen de vijfde druk). Voor Komrij, die toen nog niet in Portugal woonde, moet de kennismaking een vreemde ervaring zijn geweest. In heldere, bijna oppervlakkige verzen vond hij daarin zo ongeveer zijn eigen poëtica terug, geschreven vele jaren voordat hij zelf begon te dichten. Pessoa leverde als het ware de vriendelijke en vrije uitleg bij wat hijzelf al vele bundels lang grimmig en in strakke vormen had proberen te zeggen.

Komrijs recensie, later opgenomen in Averechts (1980), was een mooi geval van herkenning van een verwante geest. Waar hij zelf dichtte 'Geen bloedbaan ruist in mij', daar las hij bij zijn Portugese collega 'De hartslag doet niet mee'. Komrij citeerde 'Autopsychografie' voluit, want het dichterlijke veinzen en voorwenden kwam hem maar al te bekend voor, evenals de maskerade, de afsplitsingsdrang en de literaire multischizofrenie, zoals hij het noemde. In authenticiteit, in 'de onzinnigheden van het zoekende hart' geloofde hij niet, net zomin als Pessoa. 'De waarheid bestaat uit leugens' en 'Alles is travestie' concludeerde Komrij, kort voordat hij in een gedicht zou schrijven: 'Gevoel baart modder', 'Openhartigheid is onrecht', 'Waarheid is gelogen' en 'alles is er - in wat er niet is'.

Hoezeer het hem ernst was bleek wel uit zijn neiging om Pessoa in te lijven en hem bij voorbaat te verdedigen tegen de op de loer liggende 'marxisten' van Raster en De Volkskrant. Die zouden vast geen begrip kunnen opbrengen voor zo'n 'veeltongige' dichter, met zoveel vermommingen en zoveel nadruk op de formulering in plaats van op de inhoud. Blijkbaar voelde Komrij aan zijn water dat Pessoa ook heel goed als modernist binnengehaald kon worden - en dat gebeurde ook. Pessoa sprak in zijn poëzie twintigste-eeuwse gedachten uit in tijdloze vormen en daarom kon hij door zowel Komrij als Bernlef, Maatstaf als Raster omarmd worden.

Op vergelijkbare wijze heeft de poëzie van Komrij zelf voor mij als het ware de brug gevormd tussen 'traditie' en 'experiment'. De dichter zal er waarschijnlijk van opkijken dat iemand door zijn werk dichter bij het begrijpen van Faverey en Kouwenaar is geraakt, maar toch is dat ergens in het voorjaar van 1982 gebeurd. Toen beleefde ik, dankzij een vrijdagse Volkskrant-column van Fens, mijn eerste Komrij-moment. Het was niet voor het eerst dat ik een gedicht van hem las, maar wel voor het eerst dat ik meende te zien of te voelen waar het hem om ging en hoe ingewikkeld dat was. Het betrof de driedelige reeks 'Chaos' waarmee de bundel Gesloten circuit (1982) opende.

'Hem vliegen losse woorden naar de keel'. Daar begint het mee. Prachtige regel. Hier is geen dichter op zoek naar woorden, maar hier zijn het de woorden zelf die, zo te zien in hoge nood, het initiatief nemen. Wij krijgen, in de volgende regels, die losse woorden voorgelegd, quasi zonder structuur ('Een grenspaal. Vale paarden. Takkenbossen.'), maar intussen zijn ze toch mooi in regelmatig rijmende vormen opgenomen. Wat met zo'n aanval van losse woorden te doen? Aanvankelijk slaat de dichter ze maar in zijn hoofd op, want daar liggen ze goed:

Het lijkt of ze voorgoed

begraven zijn.

Maar vroeg of laat begint een

dunne draad

Gesponnen uit melancholie en pijn

Van woord tot woord een weg

te zoeken om

Een web te weven - stom en

delicaat -

Waaruit ineens een vers valt. Als

een bom.

Dat vers vult het tweede deel van de reeks. Uit de losse woorden is waarachtig een verhaal ontstaan, over heksen met takkenbossen op vale paarden en wat niet al: woest en kolkend van inhoud, maar opnieuw in regelmatig rijmende regels gevangen. Dat is mooi, maar het derde deel neemt meteen weer afstand, want daarin wordt treurig op de gang van zaken teruggeblikt. De dichter kan nog zoveel willen, maar zijn vers moet het elke keer afleggen tegen de werkelijkheid. Hij kan het in zijn regels nog zo hard laten regenen, maar wij blijven droog in onze stoel zitten. Hij kan zijn gedicht presenteren als een bom, en wij kunnen het zelfs als een bom ondergaan, maar in werkelijkheid gebeurt er niets:

Ontploft het vers, zodat uw hand

verbrandt?

Zakt u met boek en al in een

zwart gat?

De dichter is niet slechts een simulant

Maar hij verbeeldt zich ook nog

wonder wat.

Zo'n parafrase verliest het natuurlijk van het gedicht zelf. Dat is altijd zo, maar zeker in dit geval, waarin we als het ware meemaken wat tegelijk wordt beweerd: we zien het gedicht ontstaan uit chaos, vorm aannemen en zich voor onze ogen ontrollen. De lange aanloop is nodig om de teleurstelling in het derde deel des te groter te laten zijn. Want die dichter uit de voorlaatste regel wist natuurlijk vanaf het begin al dat hij simuleerde. Zijn vers is geen bom, eerder een klapsigaar.

Deze ordelijke reeks 'Chaos' is veel dingen tegelijk: ernst en ironie, waarheid en bedrog, kunst en kunstje. Er zit een vrolijke rederijkerskant aan (maak van tien losse woorden een samenhangend gedicht), maar ook een echte experimentele kant: het drijft op een 'talig' arrangement en het verwijst helemaal niet naar de werkelijkheid. Het flirt met ontroering (even vallen zelfs de woorden melancholie en pijn), maar het draait ons ook een loer. Het geeft wel degelijk een 'ervaring' (de term experimenteel is volgens Kouwenaar niet afgeleid van experiment, maar van experience) en het bevat een diepere gedachte over de wezenlijke autonomie van alle poëzie. Wij kunnen er, afhankelijk van de stemming, om lachen en treuren: om de lege handen waarmee we achterblijven, om het vage gevoel van droefheid dat deze gearrangeerde mislukking aankleeft.

Zoveel bewegingen, zoveel dubbele bodems: je zou van geraffineerde retoriek kunnen spreken of van een mooi spiegelpaleis, en dat is ook geregeld gedaan. Toch verschilt het mechaniek niet zo erg van dat van Faverey, aan wie ik bij het lezen van Komrij vaak moet denken. Ook bij Faverey is het gedicht vaak een gesloten circuit, een op spanning gebrachte zeepbel, een ballon die in de laatste regel wordt doorgeprikt, waarna wij onthutst achterblijven, zonder dat we kunnen zeggen op welk punt precies we bij de neus zijn genomen. En ook daar hangt over al het superieure bouwen en weer afbreken een zweem van vergeefsheid.

Bekend is de uitspraak van Faverey dat hij zijn gedichten ook heel goed met andere woorden zou kunnen schrijven. “Als ik dus op een gegeven moment de zin 'de hond steekt de straat over' niet kan gebruiken, dan mag er voor mijn part ook staan 'op de bomen zit mos'. Iemand die een verslag doet van wat hij heeft meegemaakt laat zo iets uit zijn hoofd, maar ik wil niet zo'n verhaal vertellen.”

Ook Komrij is niet uit op het vertellen van verhalen. Zie de reeks 'Chaos' en zie bijvoorbeeld het 'Woordenboekgedicht' dat hij een tijdje geleden in zijn rubriek 'Een & ander' in deze krant publiceerde: een verhalend gedicht ontstaan uit twaalf blind geprikte woordenboekwoorden. In de laatste regel werd het vers netjes opgeblazen. Een geval van rederijkerij, of juist van autonomie? De termen zijn op dichters als Komrij en Faverey niet van toepassing, omdat ze zich er al in een vroeg stadium aan hebben onttrokken. “Een tegenstelling tussen avant-garde en lichtvoetigheid (...) kende hij niet,” schreef Komrij over zijn jonge alter ego Jacob Witsen in Verwoest Arcadië (1980). “Nonsens en avant-garde hadden één moeder: het Absurde.”

Komrij nam dit woordenboekgedicht niet op in zijn verzamelbundel Alle gedichten tot gisteren. Daardoor wordt de titel dus al meteen gerelativeerd. Er ontbreken nog enkele andere verspreid gepubliceerde gedichten en uit zijn serie pastiches is bijvoorbeeld alleen die op Marsmans 'Herinnering aan Holland' opgenomen. Maar goed, de rest dus wel: bijna alle gedichten tot gisteren, zo'n 350 stuks, en ook nog enkele vertalingen, tezamen vormend een klein universum: een volstrekt eigen wereld, een volmaakt eigen toon, een monument voor een monomaan dichterschap, waarvan de 'objectieve' kwaliteiten inmiddels wel vaststaan.

Komrij heeft om te beginnen laten zien dat het gebruik van vaste versvormen en van allerlei motieven uit de sfeer van decadentisme, fin-de-siècle en romantiek niet vanzelf tot gedateerde neo-romantiek hoeft te leiden. Hij heeft, in een periode waarin het experiment van Vijftig dood liep, de poëzie opengebroken en weer ruimte gemaakt voor spreektaal, vrolijkheid, humor, snerpende satire, bulderlach en schimpscheut - en trouwens ook voor poep, winden en seks. Het hoge en het lage zijn bij hem naast elkaar te vinden, net als het mooie en het lelijke, het simpele en het ingewikkelde.

'Chaos' is een klassiek voorbeeld van een wegcijfergedicht, waar in termen als ontpersoonlijking en autonomisering over getheoretiseerd kan worden. Maar tegelijk vraag je je af hoe iemand na zo'n helder geformuleerd failliet nog verder kan dichten. 'Een gedicht' is het klassieke voorbeeld van een 'naar zichzelf verwijzend gedicht', waarin de betekenis 'ontledigd wordt' - al kun je er ook gewoon om lachen: van 'De eerste regel is om te beginnen' en 'De tweede is de elfde van beneden' tot en met 'De elfde is niets anders dan de elfde' en 'De twaalfde is van niets de eindconclusie'. Dat was het maar al te duidelijke besluit van Komrijs eerste bundel Maagdenburgse halve bollen (1968). Hierna is er niets meer mogelijk, zou je denken. Wie al zo vroeg op een grens is gestuit moet andere tactieken ontwikkelen. Komrij is de meester van het Januskopgedicht, het gedicht dat twee dingen tegelijk beweert. Soms neemt het ook daadwerkelijk twee gezichten aan: in zijn verzamelbundel bevinden zich nogal wat dubbelgedichten waarvan de delen elkaar listig tegenspreken.

Daarnaast is Komrij ook gewoon de schrijver van prachtige poëzie, met verbluffende beelden, glanzende formuleringen, verrassende rijmen en absurde, maar daarom niet minder ware aforismen. En altijd mooie titels. Een bundel als De os op de klokketoren (1981), één lange variatie op het oude thema van de verkeerde (= omgekeerde) wereld, is een klein meesterwerk. Neem het slotgedicht dat natuurlijk 'Begin' heet en dat na alle voorgaande omkeringen eindigt met dit even luchtige als treurige beeld:

De wereld droogt en krimpt, een

laatste krater

Haalt adem en lanceert haar als

een bom.

Een heel eind verder zal, in een heelal

Waar vlinders dansen en waar bijen

gonzen

De aarde die van ons was als een bal

Geruisloos op een vreemd grasveld

plonzen.

En toch zal niemand zich onvoorwaardelijk aan deze vacuümgezogen poëzie overgeven, lijkt mij. Wie zich er een week of langer mee opsluit, zal merken dat vroeg of laat de bewondering omslaat in wrevel, en dat een ander oordeel zich een uitweg begint te zoeken: wat een koude kunst, wat een armoe, wat een buitenkantigheid. De dichter weet er alles van. 'Er is alleen maar buitenkant' schrijft hij ergens. En: 'Nooit zei je eens iets 'wat echt is gemeend'. En: 'Een vers moet rond zijn om niet te bestaan.'

Hier wordt met zoveel woorden uitgesproken wat in bijna alle gedichten te bespeuren valt: er wordt niets in veroverd, want er wíl niets in veroverd worden. Alle humeuren en temperamenten zijn in deze gedichten te vinden, maar ze worden alleen maar genóemd. Hoezo 'gesponnen uit melancholie en pijn'? Er had vermoedelijk even goed kunnen staan: 'gewonnen uit olijfolie en azijn'.

Komrijs poëzie is stellende, voegwoordloze impassepoëzie. 'Een dichter kan steeds alle kanten uit' lezen we in 'Arlequino's Ei', maar in de praktijk zien we hem steeds dezelfde kant opgaan. De laatste regel luidt: 'Hij schudt het van zich af en is weer vrij.' Daar, buiten de hekken van zijn eigen verzen, en dus buiten ons blikveld, is Komrij pas echt vrij. Het is een gedachte die ook te vinden is bij een sonnettendichter als Jan Kuijper, aan wie Komrij mij ook vaak doet denken. Ook Kuijper moet steeds weer door het gedicht heen om vrij te worden. Zoveel variaties op één thema, zoveel maakwerk, zoveel woorden in zoveel strakke vormen ondergebracht: het ziet eruit alsof er veel bedwongen moest worden, maar het wordt allemaal in stelling gebracht om niets te hoeven zeggen. Een van Komrijs bekendste gedichten heet treffend genoeg 'De zwijgzaamheid'. Het eindigt met dit bekende motto:

Eer plant men bomen op de weg

Eer zal men kakken in zijn hoed

Dan dat ik u mijn ziel blootleg

En zeg wat ik thans lijden moet.

Zoveel onaanraakbaarheid gaat op den duur irriteren. Hoe virtuoos ook - de poëzie van Komrij laat mij meestal koud, net als die van Kuijper en Faverey trouwens. Het is poëzie waarbij je vanzelf al een stap terugdoet, geen poëzie om mee te leven en geen poëzie om door geraakt te worden. Het is een koud kunstje, zoals de dichter zelf al zegt. Het meest irritante is wel dat deze wrevel ook de bedoeling van de dichter is. Juist in het heen en weer geslingerd worden tussen ergernis en bewondering ligt dan de belangrijkste sensatie van Komrijs poëzie.

Droef word je er niet van, maar bij het wegen van deze kloeke verzamelbundel dringt zich wel een soort superdroefheid op. Bij de gedachte dat iemand 350 keer uit wil komen bij 'Ik ben er wel, maar niemand die me ziet' en zich 350 keer wil laten leiden door dit verlangen: 'Je zag er niets, ondanks het vele licht./ Zo is het, hoop je, ook in dit gedicht.' En vooral bij de gedachte dat hijzelf daar niet gelukkig van lijkt te worden. Er wringt iets en er dringt iets en er lijkt voortdurend iets op uitbreken te staan: dat is de spanning waar Komrij het tot nu toe van moet hebben.

Als er een ontwikkeling in zijn poezie aan te wijzen valt, dan schuilt die in een toegenomen somber- en soberheid, misschien wel de voorbode van een toegenomen oprechtheid. Vooral in enkele van zijn laatste gedichten treft een loden toon, alsof er geen uitvluchten meer te verzinnen zijn. 'Maskers' is er een voorbeeld van. Het vertelt het verhaal van de man die vrolijk met zijn masker speelde, tot hij op een dag merkte dat het met zijn gezicht vergroeid was geraakt. Het is bij Oscar Wilde te vinden en ook bij Pessoa. Zoiets zou Komrij niet overkomen, dacht hij vroeger, maar ook hij moet in de laatste regels vaststellen:

Nu ben ik oud, alleen om te erkennen:

't Verhaal is waar. Het masker gaat

niet af.

Het is alsof je aan de hel moet

wennen.

Het is alsof je kijkt in een leeg graf.

Zo staat het er, op een van de laatste bladzijden van Alle gedichten tot gisteren. Zonder ironie, zo te zien. Vijftien jaar geleden wees Komrij, schrijvend over Pessoa, op 'de grote onrust' die onder diens vele vermommingen schuil ging en op diens 'strijd die elke regel moet veroveren op het lege bestaan'. Als het lege bestaan nu uitzicht biedt op een leeg graf, dan lijken er maar twee mogelijkheden over te blijven. Komrij stopt alsnog met dichten. Of hij laat eindelijk zijn eigen grote onrust toe in zijn poëzie: 350 gedichten, veroverd op het lege graf, te verzamelen in Alle gedichten vanaf morgen.

    • Guus Middag