Een gedecideerd wicht

Uri Orlev: Lydia, koningin van Palestina. Vert. Tamir Herzberg. Uitg. Fontein, 155 blz. Prijs ƒ 28,50. 10 jaar en ouder.

Van twee jongens op het platteland hoort Lydia voor het eerst over het begrip 'vijand'. Zij vertellen haar dat je met iemand die je tot je vijand verklaart, alles mag doen, zelfs dood maken. Op het moment dat ze dat hoort heeft Lydia nog niet zo veel ervaring met doodmaken en zulke dingen, maar dat verandert. Lydia is een joods meisje in Roemenië, en als ze voor het eerst over een 'vijand' hoort, is het eind jaren dertig.

De Israëlische schrijver Uri Orlev is hier vooral bekend geworden met zijn indrukwekkende Het eiland in de Vogelstraat, het verhaal over een joodse jongen in Warschau die in zijn eentje, met zijn witte muis, in de leeggehaalde huizen van het getto wacht op de terugkomst van zijn vader. Het meisje Lydia, uit Lydia, koningin van Palestina, komt in minder ellendige omstandigheden terecht, maar ze is net als de jongen uit Het eiland in de Vogelstraat een echte overlever. Zelden tref je zo'n weerbaar en tegelijkertijd gevoelig kind in een kinderboek. “Niemand kan jou in bedwang houden!” roept haar moeder boos tegen haar, en zo is het. Wat niet betekent dat ze een onhandelbaar recalcitrant wicht is, ze is gedecideerd en weet wat ze wil. En, al kost het moeite, ze kan ook iets aanvaarden wat ze niet prettig vindt.

Dat aanvaarden is echter niet haar meest in het oog springende eigenschap. Dank zij haar vijand-begrip kan zij zichzelf toestaan om sommige mensen met alle kracht die in haar is te bestrijden. Eerst vindt de plechtige vijand-verklaring plaats, ten overstaan van haar poppen die zij als getuigen aanroept. Het eerste slachtoffer is haar Duits-joodse kinderjuffrouw die Hitlers Duitsland is ontvlucht en daarover zegt: “Wij joden, ons bloed is rechteloos.” Ze heeft naar Lydia's mening te veel aanmerkingen op haar en daarom moet ze een 'vijand' worden. “En vanaf dit moment is haar bloed rechteloos!” zegt Lydia tegen haar poppen die het zoals gebruikelijk volledig met haar eens zijn. De kinderjuf wordt vervolgens de deur uit gepest.

Een veel grotere 'vijand' is echter Die Vrouw, de vrouw op wie haar vader verliefd wordt. Een van de poppen, de lelijkste, krijgt die rol toebedeeld en Lydia laat Die Vrouw in poppengedaante verschrikkelijk lijden. Ze verstopt bij voorbeeld de pop die haar vader moet voorstellen en laat Die Vrouw dan heel lang en vruchteloos zoeken en smeken. Uiteindelijk moet zij hem echter altijd vinden, omdat Lydia haar moeder heeft horen zeggen dat haar vader zonder Die Vrouw niet kan leven. En hij mag natuurlijk niet dood gaan.

Uri Orlev maakt het verhaal van Lydia dank zij deze poppenomweg niet alleen vermakelijk en begrijpelijk maar ook onlarmoyant. De hele Lydia doet trouwens verbazend weinig beroep op medelijden, hoewel daar alle aanleiding toe zou zijn. De toenemende agressie tegen de joden in Boekarest, de verarming van haar en haar moeder - vader is naar Palestina vertrokken en stuurt Die Vrouw een uitnodiging om ook te komen - en ten slotte Lydia's reis naar Palestina met een groep voor haar onbekende kinderen en haar verblijf daar in een kibboets, dat zijn geen dingen die je een kind zou toewensen. Maar Orlev wil geen tragisch verhaal vertellen. Hij vertelt een verhaal over persoonlijke kracht en over fantasie, zo overtuigend alsof het zijn eigen herinneringen zijn. Toch kan hij vroeger onmogelijk een Roemeens meisje geweest zijn.

Het verhaal van Lydia wordt door haarzelf verteld, in de ik-vorm, en het is opgeschreven alsof zij het tegen leeftijdgenoten heeft, dat wil zeggen, leeftijdgenoten van een jaar of elf. Zodoende kan ze ook op vrij natuurlijke toon wat extra informatie geven als dat nodig is, en dat is natuurlijk nodig, want welk kind kent de geschiedenis van Roemenië in de jaren veertig. De troonsafstand van koning Carol ten gunste van zijn zoon prins Mihai, met wie Lydia later wenst te trouwen, de antisemitische fascistische organisaties, het Engelse bestuur van Palestina, het communistische leven in een kibboets, dat alles komt onnadrukkelijk maar helder aan de orde.

Het verhaal houdt op als zowel vader als moeder in Palestina zijn, vader getrouwd met Die Vrouw, moeder nu met Die Man. Het heeft Lydia moeite gekost om deze nieuwe mensen, en vooral het feit dat haar ouders gescheiden zijn, te accepteren. De eerste keer dat zij bij haar vader en Die Vrouw op bezoek is, weigert ze bij voorbeeld te eten, hoewel ze dol is op lekker eten en de maaltijd overheerlijk ruikt. “Lydia, zei ik tegen mezelf, het eten dat Die Vrouw gemaakt heeft kan jij niet door je keel krijgen.”

Dat ze uiteindelijk besluit om tegenover haar poppen de vijandverklaringen aan Die Man en Die Vrouw in te trekken heeft niets zoetigs. Het is waarachtig. Ze is ook niet ineens buitensporig dol op ze, maar ze aanvaardt ze, zoals ze zoveel, ondanks haar eigenzinnigheid, zonder gezeur heeft geaccepteerd. Dat maakt dit boek, ondanks het zware onderwerp, opwekkend en ontroerend tegelijk.

    • Marjoleine de Vos