De diachronie van de doofpot; Historici en hun angstvallige neutraliteit over Nederlands-Indië

Waarom heeft Kapitein Westerling in Nederland nooit terechtgestaan voor oorlogsmisdaden begaan in Nederlands-Indië? Hoe is mogelijk dat de Japanse internering steeds schaamtelozer wordt vergeleken met de Duitse concentratiekampen? 'Ik schrijf niet om te polemiseren,' zegt Rudy Kousbroek, 'het is een bijproduct dat onvermijdelijk optreedt wanneer bepaalde onderwerpen ter sprake komen en bepaalde vragen worden gesteld.'

Twee keer ben ik dezer dagen opgebeld door journalisten die mij wilden interviewen over de officiële herdenkingstoespraak in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, op 4 Mei aanstaande: wist ik dat die gehouden zal worden door Jeroen Brouwers?

Ik wist het. - En wilde ik daar niet iets over zeggen? - Nee, niet in een interview, als ik er wat over kwijt wil schrijf ik er zelf wel over; dan heb ik ook betere garanties hoe het in de krant komt. Maar waarom vraagt U het niet aan een van onze historici die zich speciaal met de geschiedenis van Nederlands-Indië bezighouden? Die zijn over zoiets toch de meest objectieve en gezaghebbende instantie? - Wie dan bijvoorbeeld? - Probeert U het eens bij Fasseur, of Wesseling, allebei in Leiden, of Breman, Van Doorn, Schulte Nordholt, Jan Bank... aan specialisten over dit onderwerp in Nederland geen gebrek.

Nu, dat zouden ze proberen. Of ze succes hebben gehad heb ik nog niet kunnen vaststellen, maar eerlijk gezegd ben ik niet optimistisch over het resultaat. Ik vrees dat die historici zich op de vlakte zullen houden, zoals ze tot dusver altijd hebben gedaan.

In de afgelopen vijfentwintig jaar heb ik regelmatig geschreven over onderwerpen die betrekking hebben op Nederlands-Indië voor en tijdens de oorlog; niet als historicus maar als betrokkene, niet van buitenaf maar als iemand met eigen herinneringen en eigen reacties, als lezer en als schrijver van essays. Op die publicaties kwamen steeds zeer veel reacties - niet alleen van andere betrokkenen, ook van buitenstaanders, specialisten op uiteenlopende gebieden - maar niet van de Indië-historici.

Aangezien ik ze er niet naar gevraagd heb weet ik niet hoe zij deze omissie zelf zouden verklaren, maar uiteraard heb ik er wel vermoedens over, en een daarvan zag ik kortgeleden bevestigd in een interview met Van Doorn door Remco Meijer in Elsevier; zo stelde Meijer de vraag “wie van de prominente publicisten over Indië nu het dichtst benadert 'wat Indië was': Breman, Fasseur of Kousbroek?” Van Doorn antwoordde daarop: “Eerlijk gezegd vind ik Kousbroek te polemisch. Er is over Indië al veel gepubliceerd. Je kunt niet van een doofpot spreken. Fasseur zegt terecht: alles ligt bij De Slegte.” ('Socioloog J.A.A. van Doorn en de historie van Indië', door Remco Meijer in Elsevier, 26-3-1994).

Een zonderling en onthullend antwoord. Natuurlijk is polemiek niet het object van geschiedschrijving. Maar het is ook niet het mijne. Ik schrijf niet om te polemiseren, het is een bijproduct dat onvermijdelijk optreedt wanneer bepaalde onderwerpen ter sprake komen en bepaalde vragen worden gesteld. Aan die polemieken is alleen te ontkomen door deze onderwerpen te vermijden en naar de waarheid van bepaalde dingen niet te vragen. De betrokken historici laten dat ook inderdaad na, en daar wringt nu in mijn ogen de schoen. Mijn bezwaar tegen hun werk, waar ik in andere opzichten vaak oprechte waardering voor heb, is precies dat zij deze kwesties uit de weg gaan.

Dat zij, zoals hier Van Doorn (en blijkens het citaat ook Fasseur), zich van dat odium ook wel degelijk bewust zijn blijkt uit die merkwaardige ontkenning dat er een 'doofpot' zou bestaan. Dat de werken van onze koloniale geschiedschrijvers vaak bij De Slegte terechtkomen valt niet te loochenen, maar dat daarin 'alles' te vinden zou zijn is moeilijk vol te houden.

Eufemistisch

Om ons tot één geval te bepalen: ga naar De Slegte en vind een boek waarin uit de doeken wordt gedaan welke compliciteiten op hoog niveau hebben verhinderd dat Kapitein Westerling in Nederland terecht heeft moeten staan voor oorlogsmisdaden. Zo'n boek is er niet, niet bij De Slegte en ook niet in de onmetelijke wereld daarbuiten. Zelfs onze nationale geschiedschrijver Lou de Jong vestigde de aandacht op het feit dat er voor de 'excessen', zoals dat bij ons eufemistisch wordt genoemd, alleen wat lageren in rang zijn vervolgd (42 veroordelingen; de enige doodstraf, ook werkelijk voltrokken, betrof geen Nederlander maar een Ambonees). Het onderzoek naar de excessen van Westerlings Korps Speciale Troepen werd door Generaal Spoor opgedragen aan Westerling zelf. “Van de hogere commandanten die, aldus Westerling, aan de detachementen van het Korps Speciale Troepen 'meestal' het bevel gaven: 'Alles neerleggen' (dit was een 'functioneel exces') is er niet één vervolgd,” schrijft Lou de Jong. Is er bij ons zoiets als een doofpot? O heden nee! roepen de geschiedvorsers hoofdschuddend uit, alles ligt bij de Slegte!

Enfin, er staat tegenover dat de opgeroepenen die dienst weigerden tenminste voorbeeldig zijn gestraft. Het recht moet zijn loop hebben en de krijgstucht laat niet met zich spotten. Zo wordt vijftig jaar later Poncke Princen achter de rug van de Minister om nog een visum voor Nederland geweigerd, en een schrijver, Graa Boomsma, wordt om het weergeven van een onwelwillende opinie over die periode gerechtelijk vervolgd. Weer zo'n mysterie; wie of wat zit daar achter? Misschien ligt het antwoord over vijftig jaar bij De Slegte, maar voor 't ogenblik geen historicus die zich laat horen.

“Je kunt niet van een doofpot spreken” - dat uitgerekend Van Doorn dat moest zeggen, wiens Het Nederlands-Indonesisch Conflict: Ontsporing van geweld juist een voorbeeld is van een op zichzelf waardevol boek, waar geen poging in wordt gedaan de werkelijke verantwoordelijkheden op te helderen. Het zou eens in polemiek kunnen ontaarden. In het interview met Meijer beroept Van Doorn zich zelfs op de narigheid die hem dat heeft bespaard: “Ik herinner me dat ik toen voor de zekerheid toch een geheim telefoonnummer heb genomen,” maar het had niet gehoeven, want: “Later, na alle opwinding, is het boek vanwege de verwijzing naar verantwoordelijke superieuren door veteranen ingelijfd als een verdediging.”

Een boek als Wij werden geroepen: De geschiedenis van de 7 Decemberdivisie, met zweten en zwoegen geschreven door 20.000 Nederlandse mannen van A. van Sprang noemt van Doorn (in De laatste eeuw van Indië, blz. 312), 'een vakbekwame historie'- geen wonder dat hij mij te polemisch vindt. Ook deze laatste publicatie van Van Doorn is afgezien van zekere kwaliteiten trouwens een boek dat bij geen koloniale oudgediende de bloeddruk omhoog zal jagen.

Kabaal

Het is natuurlijk geen geoorloofde omkering te zeggen dat een boek over Indië alleen historisch belangwekkend is als er uit die hoek kabaal op komt, maar een bruikbare vuistregel is het wel. Er is ook nog een ander gedachtenexperiment mogelijk, en dat is de diachronie van de doofpot. Laten we even aannemen, zoals Van Doorn beweert, dat er nu geen meer is: sinds wanneer? en wanneer was hij er nog wel? In de tijd dat de onthullingen nog niet bij De Slegte lagen was de werkelijkheid precies even werkelijk als nu. Militaire en koloniale historici bestonden toen ook al; welk tijdstip men ook kiest, er zijn er per definitie altijd geweest die van verzwegen feiten op de hoogte waren en hun mond hielden. More to the point, ze hielden zich ook stil terwijl de enkelingen die probeerden iets openbaar te maken werden verketterd. Zij bleven dan 'neutraal'.

Historici laten zich pas horen wanneer iets niet alleen historisch maar ook politiek onomstreden is. Wat bij de Slegte ligt zijn de onthullingen waar geen belangen of prestige meer mee gemoeid zijn.

De koloniale doofpot: het beeld dat mij daarbij voor ogen komt is hoe Nederlandse parlementsleden, wanneer zij opheldering vroegen over geruchten over misstanden in Indië, gehoond en van laster werden beschuldigd door de Minister van Koloniën, die heel goed wist dat het allemaal waar en zelfs nog veel erger was. Het is het paradigma van een ritueel dat zich over de jaren in allerlei aankledingen eindeloos heeft herhaald, en dit was precies het mechanisme dat het bestaan en het voortduren van die misstanden mogelijk maakte. De historici die op de hoogte waren lieten zich niet horen; zij gedroegen zich au fond precies zo als de pers.

Dit alles is te illustreren met dozijnen case histories, maar ik spreek hier noodgedwongen (tot mijn verdriet) voor mijzelf en zal me bepalen tot een paar concrete voorbeelden uit eigen belevenis. Gelegenheden waarbij ik vond dat de historici zich wel eens hadden mogen laten horen waren ondermeer de gevallen Beets en Bergamini. Zo heb ik al in 1972 overvloedig materiaal gepubliceerd waaruit blijkt dat Japan's Imperial Conspiracy van Bergamini geheel uit verzinsels, vertaalfouten en leugens bestaat (O.I.K. 414-429), maar geen historicus die daar ooit naar heeft verwezen, laat staan mij is bijgevallen om te bevestigen dat hier geen sprake was van 'een Amerikaanse historicus' met 'nieuw bewijsmateriaal over Hirohito', zoals door vooraanstaande persoonlijkheden (waaronder Wim Kan en Willem Brandt, die het boek vermoedelijk nooit hebben gelezen) telkens opnieuw werd gezegd en nog wel wordt verkondigd (waarbij ook vaak de totaal gediscrediteerde Sir William Webb, president van het Tokyo tribunaal, weer van stal wordt gehaald). Het zou, meer in het algemeen, geen kwaad kunnen als de mensen ook eens van een ander hoorden dat de Keizer van Japan niet een soort Hitler was - 'een oorlogsmisdadiger erger dan Hitler,' volgens de school van Jeroen Brouwers.

Idem dito met betrekking tot het feit dat een belachelijk boek als De verre oorlog van Beets (O.I.K. 322-330), doordat iedereen zijn mond hield, nog steeds de reputatie heeft een standaardwerk over de oorlog in Indië te zijn en als zodanig in alle relevante bibliografieën voorkomt. Zo zou ik nog een poosje door kunnen gaan: over de kwestie Digoel (id. 167-176), over de vergelijkbaarheid van voeding en sterfte in de kampen met die van de Inlandse bevolking in vredestijd (id. passim), over de oogmerken van de Japanse expansie in Z.O. Azië (id. 342-350), tot details als kampfoto's (id. 328) - maar waar het mij in dit verband natuurlijk vooral om gaat is dat niet één historicus zich ooit heeft uitgesproken over het feit dat de Japanse internering niet kan worden vergeleken met de Duitse concentratiekampen, terwijl die vergelijking (vooral sinds de verschijning van Jeroen Brouwers' Bezonken rood) steeds schaamtelozer wordt gemaakt. Nog kortgeleden had ik de onaangename verrassing in een overigens opvallend scherp geobserveerd en lucide artikel van E.J. Dommering, 'De Nederlandse publieke discussie en de politionele acties in Indonesië' (Nederlands Juristenblad 4-3-94), ineens weer de oude dooddoener tegen te komen dat het 'niets uitmaakt' of je nu in een Duits concentratiekamp of in 'het Jappenkamp' zat: 'om het in eenvoudig Nederlands te zeggen: of je nu door de hond of door de kat gebeten wordt'.

Drogreden

Deze formule bevat dezelfde onjuistheid als de bekende drogreden over de kans een witte bal te trekken uit een zak waarin zich tien zwarte ballen en één witte bevinden: 'Fifty-fifty, je hebt 'm of je hebt 'm niet.' De kans om levend uit een Japans burgerkamp te komen bedroeg ongeveer 87 procent. De kans daarentegen voor joden om de Duitse kampen te overleven was minder dan 9 procent.

Dommering beschrijft mij daarbij als de 'discussieleider' van een 'ergheidsdebat', hetgeen een kwaadaardige projectie is van het bekritiseerde op degene die er tegen protesteert. Het zijn sommige ex-geïnterneerden, hun kinderen en zelfs hun kleinkinderen die er voortdurend aanspraak op trachten te maken dat zij het even 'erg' hebben gehad als de joden, waarbij ook het streven de Japanners als 'erger dan de Duitsers' af te schilderen een rol speelt.

Het feit dat een dergelijke vertekening van de waarheid heeft kunnen ontstaan is niet alleen te wijten aan Jeroen Brouwers maar ook voor een belangrijk deel aan de 'neutraliteit' die de Indië-historici tegenover deze dingen hebben betracht. Het leidt tot de vraag wat geschiedschrijving, behalve bij De Slegte terechtkomen, dan eigenlijk beoogt.

Er zijn de laatste tijd nogal wat artikelen verschenen over de film Schindler's List; er is veel over te zeggen, maar wat mij het meest heeft getroffen is dat in Amerika op het ogenblik 22 procent van de volwassenen betwijfelt of de holocaust ooit in werkelijkheid heeft plaats gevonden. Dat heeft, net als de claims van die ex-geïnterneerden, te maken met de onvoorstelbaarheid van de holocaust; dat is ook wat de zg. revisionisten in staat stelt te verkondigen dat de gaskamers nooit hebben bestaan, dat het dagboek van Anne Frank een vervalsing is, en wat dies meer zij. Vorig jaar verschenen daarover publicaties van onder anderen Pierre Vidal-Naquet en Deborah Lipstadt. Steeds meer mensen, zo betogen zij, krijgen hun historisch besef via media zoals de film en de televisie, die zich steeds meer vrijheden veroorloven met de waarheid, en het onderscheid tussen feiten en fictie steeds verder verdoezelen; werkelijke gebeurtenissen worden veranderd weergeven om dramatisch effect te scoren of met oogmerken van political correctness.

Lipstadt betoogt (in Denying the Holocaust: The Growing Assault on Truth and Memory) dat dergelijke pogingen de geschiedenis te herschrijven 'have the potential to alter dramatically the way established truth is transmitted from generation to generation', en een intellectueel klimaat helpen scheppen waarin 'no fact, no event, and no aspect of history has any fixed meaning or content.'

De uitnodiging van het Nationaal Comité 4 en 5 mei van deze spreker is daar in mijn ogen een voorbeeld van. Historici die daar 'neutraliteit' tegenover trachten te bewaren begrijp ik niet.

    • Rudy Kousbroek