'Amerikanisering' maakt politiek alleen wat minder kneuterig

Geregeld zijn in deze verkiezingstijd klachten te horen over de 'amerikanisering' van de Nederlandse politiek. Inderdaad spelen de media een grotere rol, ligt meer nadruk op de persoon van de lijsttrekker en zijn de campagnes minder fantasieloos geworden, zegt Jan van Dijk. Maar dit is eerder te danken aan de veranderende tijden dan aan import van het Amerikaanse systeem.

Als belangrijkste kenmerk van amerikanisering geldt de personalisering van de politiek en de campagnes. Deze zou de nadruk op de inhoud verminderen of zelfs wegnemen. Dit kenmerk is in Nederland nu duidelijk waarneembaar. De campagne werd twee weken voor de verkiezingsdatum nog gedomineerd door de geschiktheid van de persoon Brinkman. De PvdA concentreerde haar campagne geheel op Wim Kok. D66 beweerde dat U wint door op Van Mierlo te stemmen. Bij de VVD was een belangrijke vraag of Bolkestein dan wel Wiegel als premier naar voren geschoven moest worden. GroenLinks had de primeur van een duo-lijsttrekkerschap met een persoonsgerichte kleur en motivatie. In de race naar de positie van grootste partij en waarschijnlijke leverancier van de premier, was er de facto al bijna sprake van een gekozen minister-president.

Met het schokkende nieuws over een half miljoen werklozen werd het de politici toch te gortig. Tenslotte beseften zij de absurditeit van de aandacht voor het commissariaat van een lijsttrekker, terwijl sommigen roepen dat de situatie van ons land ernstig genoeg is om een nationaal kabinet te vormen.

Een tweede kenmerk is een overheersende rol van pr- of reclame-adviseurs en de projectmatige aanpak van campagne-consultants. Het 'succes' van de PvdA op 3 mei zal men deels toeschrijven aan de campagne van voorlichter Istha en voorzitter Rottenberg en het debâcle van het CDA aan het falen van partijvoorlichter Wester. Ver voor de verkiezingen had het CDA de buik al vol van een campagne waarin zijn lijsttrekker verkocht werd als een soort waspoeder. De Amerikaanse aanpak zou niet passen bij de Nederlandse cultuur en de nuchterheid van de CDA-achterban. Was het maar waar! Het relatieve succes van een campagne als die van de PvdA wijst op het tegendeel. Het CDA koos de verkeerde persoon, zoals het bij de vorige verkiezingen profiteerde van de goede. Het 'produkt' Brinkman was in de VS reeds in de voorronden getest en ongeschikt bevonden. Hier presteerde men het zelfs om dit te voorzien van de verkeerde specificaties. Een harde, maar zakelijke en degelijke bestuurder werd gepresenteerd als de gemoedelijke 'man van het volk'.

Bij Wim Kok werd een betere sterkte-zwakte analyse gemaakt. De juiste verpakking werd genomen voor een geschikte persoon in een bepaalde politieke context. Het richten van de campagne op de persoon betekent beslist niet dat zij inhoudsloos wordt. Het probleem is wel dat het gecreëerde imago voor kiezers minder eenduidig te beoordelen valt dan op schrift gestelde programmapunten. Amerikaanse verkiezingscampagnes worden ook gekenmerkt door voortdurend onderzoek van de kiezers, met name de eigen achterban. De resultaten worden vertaald in een ononderbroken campagne rond losse punten. Campagnevoeren tussen verkiezingen is er in Nederland nog niet bij. Onderzoek speelt wel een steeds grotere rol. Zo heeft de PvdA veel baat gehad bij zogenoemde focusgroepen. Gedurende een aantal uren wordt hierin een groep van ongeveer tien mensen uit een bepaalde categorie van potentiële kiezers intensief ondervraagd. Zo krijgt men een goed beeld van wat onder deze categorie leeft.

Achterhalen wat er onder de kiezers leeft is de belangrijkste functie voor het invoeren van nieuwe communicatiemiddelen in de Amerikaanse politiek. Men maakt daar gebruik van telemarketing, videofilmpjes, elektronische post en dergelijke. In de huidige Nederlandse campagnes worden nieuwe middelen veel meer gebruikt dan in de vorige. Er zijn erg veel telefoonsessies gehouden. Videofilmpjes zijn gebruikt voor vragen aan de lijsttrekker en de invulling van het verkiezingsprogramma. Met dergelijke middelen komt men in direct contact met kiezers. Daarbij wordt gesuggereerd dat men belangstelling heeft voor de betreffende individuele kiezers en de thema's die hen bezighouden. Dit is ook een functie van het handenschudden in buurten, het rondtoeren door het land in campagnebussen, het organiseren van house parties en het optuigen van halflege zalen gevuld met eigen leden. De suggestie mag niet verhelen dat de korte gesprekken oppervlakkig, onwennig en soms zelfs onverstaanbaar (house party) zijn. Zij zouden dan ook volstrekt zinloos zijn als er geen camera of reporter aanwezig was.

Die steeds grotere rol voor de media, de televisie voorop, wordt wel het meest zichtbare bewijs van amerikanisering genoemd. Inderdaad is deze rol ook in de huidige campagne weer toegenomen. Het feit dat er geen lijn zat in deze campagne is zowel aan de politici als aan de media te danken. Elke paar dagen werd er wel een ander thema gelanceerd. De politici lieten de ene proefballon na de andere op. Vooral Bolkestein bleef maar doorgaan, zo verzuchtten zijn collega's van andere partijen. De media haalden deze ballonnen natuurlijk gretig uit de lucht om hun nieuwswaarde. Zij stimuleerden niet dat de campagne zich concentreerde op zaken die echt belangrijk zijn zoals de snel stijgende werkloosheid, het aftakelende milieu en de problemen met de integratie van migranten. Dat de eerste proefballon van Bolkestein op het laatste punt snel doorgeprikt werd, daar hoeven we enerzijds niet rouwig om te zijn; anderzijds was dit een van de belangrijke onderwerpen die meteen weer naar de achtergrond verdween. Niet de media, maar de politici zijn echter als eerste verantwoordelijk voor het feit dat de campagne zich onvoldoende richtte op inhoudelijke hoofdpunten. Zo gaven zij vrij baan aan een eerste echte 'Amerikaanse' interventie van een medium in de campagne. Het tv-programma Reporter wist het bericht in het -NOS-Journaal van een inval van de FIOD pal hierna reeds op te blazen tot 'de affaire-Brinkman'. Het effect hiervan zou door Amerikaanse politici onmiddellijk benut zijn door er nog een schepje bovenop te doen. Nederlandse politici houden dit af, maar zij zullen niet nalaten er feitelijk van te profiteren.

Oppervlakkig gezien is er op alle genoemde punten sprake van amerikanisering. Bij nader inzien moeten we constateren dat de Nederlandse politici vooral nieuwe vormen, media en andere middelen aan de VS ontlenen. Amerika is een soort gidsland voor moderne politiek. In belangrijke mate gaat het om de professionalisering van de campagnes. Voorheen werden deze in Nederland gekenmerkt door kneuterigheid, amateurisme en fantasieloosheid. Daarmee zou men het imago van de politiek in de huidige omstandigheden ook niet herstellen. Bovendien zorgt meer onderzoek van en een directer contact met kiezers voor beter geïnformeerde politici. In het verleden werden zij bij verkiezingen regelmatig verrast door de kiezers omdat zij onvoldoende wisten wat er onder hen leefde.

Voor het overige moet gesteld worden dat de Amerikaanse en Nederlandse politieke cultuur, en vooral hun politieke systeem, grote verschillen vertonen. In de VS ligt veel sterker de nadruk op individuele kandidaten die zelf grotendeels voor de financiering van hun campagne moeten zorgen. In Nederland kunnen de vier grote partijen het zich niet veroorloven om elkaar de grond in te boren. Integendeel, twee weken voor de verkiezingsdatum waren zij al aan de consensus en de kabinetsformatie aan het werken.

De grotere rol van personen en van media in de politiek zijn eerder aspecten van modernisering dan van amerikanisering. De opkomst van media in de politieke communicatie is onvermijdelijk in onze technologische en individualiserende cultuur. Het naar voren treden van politieke persoonlijkheden en imago's heeft diepe psychologische en culturele gronden die zowel voor de VS als voor Nederland gelden.

    • Jan van Dijk