Actrices en hun estafettestokje; De vijf draagsters van de Theo Mann-Bouwmeesterring

De draagster van de Theo Mann-Bouwmeester-ring is de koningin van het Nederlandse toneel. Aan haar de zware taak de beste actrice van het land te kiezen. Zondagavond draagt Annet Nieuwenhuyzen de ring over aan Anne-Wil Blankers. Caro van Eyck, Else Mauhs en - natuurlijk - Theodora Mann-Bouwmeester gingen haar voor.

De jubilaresse, de grootste actrice van het land, werd die zaterdagavond door twee leden van de feestcommissie per rijtuig van haar woning opgehaald. Onderweg naar de Stadsschouwburg op het Leidseplein kon zij een goedkeurende blik werpen op de vele etalages waar de winkelier een portret met haar voorname gelaatstrekken had opgesteld. Amsterdam lag onmiskenbaar aan haar voeten. Deze avond zou ze als vanouds schitteren in Dumas' schalkse komedie De démi-monde, waarvoor ze in samenspraak met haar kamenierster de schitterendste toiletten uit haar gehele carrière had laten maken. Ze werden de volgende dag, in de zondagsedities der dagbladen, nauwgezet beschreven: 'groen kant en brocaat met roze onderkleed, een lila fluwelen toque, van voren gegarneerd met goud galon en van achteren met een lila pleureuse, stijl niniche'.

“Het leven van de tooneelkunstenaar gaat niet over rozen,” schreef Theodora Mann-Bouwmeester later in haar memoires. “Men ziet dat gewoonlijk zoo licht in, en er zijn zoo ontzettend veel moeilijkheden aan verbonden, zooveel desillusies. Hij heeft dikwijls zoo'n geweldigen strijd te voeren met zich zelf, tegen anderen, er moet zooveel overwonnen worden voor hij iets bereikt... Arme onwetenden, die er zich geen denkbeeld van kunnen vormen, hoe duur succes betaald moet worden.”

Maar op zaterdag 15 november 1911 had het succes geen enkele schaduwzijde. Bij de artiesteningang werd Theodora welkom geheten door de hoofdregisseur van de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel (KVHNT) en langs een erewacht van collega-acteurs geleid, die haar met bloemen bestrooiden. Ook haar kleedkamer bleek geheel met bloemen versierd te zijn. En zodra de gevierde actrice het toneel betrad, barstte van alle rangen 'een geweldig gejuich' los, waarna haar opnieuw bloemen werden aangeboden. Het aanbieden van boeketten en kransen herhaalde zich aan het eind van ieder bedrijf. Zo ging het door tot het einde van de voorstelling. “Maar dat einde,” aldus één van de kranten, “werd een begin van een zeldzame huldebetooging.”

De huldiging duurde tot ver na middernacht. Boogsgewijs schaarden alle acteurs en actrices van de KVHNT, het eerste gezelschap van het land, zich om mevrouw Mann-Bouwmeester heen. Wederom werden haar bloemen voor de voeten gestrooid, terwijl tevens een regen van bloemen op haar neerdaalde. “Mevrouw,” sprak de voorzitter van de raad van beheer. “Uit al wat dezer dagen om u heen geschiedt, zal het u reeds overtuigend zijn gebleken, gesteld dat gij 't niet wist, hoezeer uw schitterende gaven door het Nederlandsche kunstminnend publiek worden gewaardeerd, hoe allen u eren als onze eerste tooneelspeelster.” De man werd gevolgd door talloze anderen, onder wie een collega-actrice die haar 'onverwoestbare werkkracht' releveerde en daaraan toevoegde hoe opgewekt zij altijd was, ook in de laatste trein naar Amsterdam of - als die door de troupe niet was gehaald - in de vroege ochtendschemering op een ver weggelegen station. 'Geen futloosheid, geen slapers en luiaards' kon ze uitstaan, zij die zich immers op geheel eigen kracht van een jonge debutante in kermisgezelschapjes had opgewerkt tot de status van grande coquette van het Nederlandse toneel.

Na een nieuwe stortvloed van bloemenkransen, bloemtakken en boeketten kwamen ook de andere geschenken, waaronder een gedenkpenning, de bij jubilea gebruikelijke enveloppe met inhoud, een door Albert Hahn getekende oorkonde en tot ieders verrassing een gesigneerd portret van haar Franse collega Sarah Bernhardt, met 'mes plus sincères félicitations' en de lijfspreuk 'Je veux vivre!' En ten slotte de bijzonderste gift van allemaal: de Theo Mann-Bouwmeesterring, 'namens de Amsterdamsche burgerij' ontworpen door de kunstenaar Jan Eisenlöffel, waarop een Muze de belichaming van het toneelspel vormde, met in de ene hand een lachend masker en in de andere hand een masker dat huilde. Het was, zo werd meegedeeld, de bedoeling “dat zij in tijds zal aanwijzen die Nederlandsche kunstzuster, die zij de waardigste acht dezen ring na haar te dragen, opdat deze wederom, en zoo telkens iedere nieuwe verkrijgster na haar, aan de beste in haar kunst als opvolgster den ring zal geven of nalaten.”

Siddering

De 61-jarige Theo Mann-Bouwmeester, net als haar minstens zo beroemde broer Louis onwettig geboren uit de liaison van de toneelspelers Louis Rosenveldt en Louise Bouwmeester, was uitgegroeid tot een grande dame wier afkomst intussen met hartstocht werd verbloemd. Hoe ze die avond haar rol speelde, wordt in geen der verslagen vermeld. Daar ging het niet om. Het moet ongeveer geweest zijn zoals nog te horen is op een paar zeldzame geluidsopnamen in de collectie van het Theater Instituut Nederland: haar clausen galmend, bijna zingend, met een gecultiveerde dictie en een dramatische siddering in haar stem.

Ze was volgens de kranteverslagen diep geroerd door de blijken van diepe erkentelijkheid. “Dank, mijn lief Amsterdamsch publiek!” sprak ze in de gewijde stilte die haar dankwoord omringde. Na de staande ovatie die op deze woorden volgde, deelde ze mee zich bewust te zijn van de 'ernstige verplichting' die de instelling van de naar haar genoemde ring op haar schouders had gelegd. Eens zou immers het moment komen waarop het ereteken moest worden overgedragen aan één harer kunstzusters. Maar nu reeds wilde ze een belofte doen: “De toekenning zal eerlijk en onpartijdig zijn.”

Mevrouw Mann-Bouwmeester hield woord. Op woensdag 7 maart 1934 maakte ze, de tachtig reeds ruimschoots gepasseerd en al jarenlang niet meer actief, een glorieuze rentree in de Stadsschouwburg om de ring aan de vinger te schuiven van de frêle, veelvuldig om haar fijnzinnigheid geprezen tragédienne Else Mauhs. Ook van deze actrice is nog een geluidsopname bewaard gebleven, een fragment waarin ze haar feeksachtige stem laat uitschieten zoals een kat haar poten. Vaak gaf ze de medeklinkers aan het eind van de woorden een klein plofje, als een vinnig weerhaakje dat bij haar publiek telkens een kerfje moet hebben achtergelaten.

Nauwelijks was Theo Mann-Bouwmeester in 1934 het trapje van de benedenloge afgedaald om zich naar het toneel te begeven, aldus het Algemeen Handelsblad van de volgende dag, “of de stampvolle zaal barstte los in geestdriftig gejuich dat geen einde wil nemen.” De lijkbleek ogende Else Mauhs, die deze avond bij toneelgroep Het Masker de vrouwelijke hoofdrol had gespeeld in Vorstelijke emigranten van Deval, was in de woorden van haar beroemde voorgangster “een groot kunstenares, die ieder onder de indruk brengt van haar machtig spel”. In haar dankwoord boog de 49-jarige actrice diep het hoofd. “Het is een moeilijk en subtiel bezit,” zei ze, “omdat ik bang ben dat ik niet altijd aan de gewekte verwachtingen zal kunnen voldoen. Maar ik ben mij bewust van de plicht die het bezit van den ring mij oplegt.”

Ook nu traden de verslaggevers met graagte toe tot het koor dat de nieuwe draagster van de Theo Mann-Bouwmeesterring bejubelde. Henrik Scholte, de toneelmedewerker van de Groene Amsterdammer, ging zelfs nog verder. Hij plaatste de plechtigheid in het passende kader van de wereldcrisis, die ook het toneel niet onaangetast had gelaten, en noemde haar “een symbool, een bijna tragisch symbool in deze tijden van nedergang eener oude en magistrale kunst, een symbool dat wij echter in geen betere handen zouden kunnen weten dan in die van haar, die er de zware plichten en de enorme verantwoordelijkheid zoo diep van scheen te voelen... Op zulk een avond voelde men dien onvergetelijken band van acteur en toeschouwer, waarvan het tooneel leeft en leven moet.”

Else Mauhs trad tijdens en ook na de oorlog niet meer op. De bezetting had haar, zei ze later, 'invalide' gemaakt en na de bevrijding wenste ze niet meer “naast lieden te staan die voor de vijand gespeeld hadden”. Ze was al een legende, toen enkele kranten in de loop van de jaren vijftig voorzichtig begonnen te informeren hoe het nu stond met de bestemming van het ereteken.

Hoewel ze zelden meer een schouwburg bezocht, besprak ze diverse gegadigden met de schrijver Jaap Harten, die in die jaren haar vertrouweling was. Geen van hen was goed genoeg: Magda Janssens had zich te nadrukkelijk opgedrongen, Ank van der Moer “ligt me niet”, Fie Carelsen was “in blijspelen heel leuk, maar in tragedies net de tante van Dante”, Rie Gilhuys was “te kil”, Mary Dresselhuys kon er “alleen als comédienne” mee door en Ellen Vogel was “niet goed”. Maar vanzelfsprekend hield mevrouw Mauhs zulke overpeinzingen binnen de vier muren van haar kwijnende woonvertrek. Tegen de buitenwereld zei ze alleen, na lang aandringen: “Ik neem de ring heus niet mee in mijn graf. Op de dag van m'n sterven staat in m'n testament, nee niet voor wie hij is, maar wel wie de ring een bestemming mag geven.”

Felle ogen

Die dag kwam op 22 januari 1959. De mysterieuze oude dame bleek postuum de critica G. Alingh Brugmans en de toneelleider Cor van der Lugt Melsert te hebben benoemd tot jury. Heftig publicitair gewirrewar was het gevolg. Van der Lugt Melsert meende aanvankelijk dat de overledene het best was gediend als er géén nieuwe draagster werd aangewezen: “Geen harer collega's van haar jaarklasse of een latere blijkt zij de ring waardig te hebben gekeurd, terecht of ten onrechte. Hieraan zullen wij ons dienen te houden.” Pas in september waren de gemoederen, mede op aandringen van de dochter van Else Mauhs, zodanig bedaard dat er over namen van kandidaten kon worden vergaderd. En op 11 maart 1960 kon de ring, na de première van Little foxes van Lillian Hellman, worden uitgereikt aan de actrice Caro van Eyck.

Caro van Eyck, tragédienne met felle ogen en een hoogst karakteristiek, enigszins schor stemgeluid dat volgens een criticus “in een zachte siddering het tweede amfitheater van een schouwburg bereikt”, was 44 toen ze de ring kreeg. Uit de loges van de Stadsschouwburg werden haar bloemen toegeworpen door leerlingen van de toneelscholen van Amsterdam, Arnhem en Maastricht. Maar in haar dankwoord sloot ze aan bij de veranderde tijdgeest door nadrukkelijk ook de collega's van toneelgroep Theater in de huldiging te betrekken en lof toe te zwaaien aan de actrices uit de generatie na de hare. Niemand zou er haar ooit op kunnen betrappen dat ze misprijzend over 'de jeugd van tegenwoordig' zou spreken - integendeel, ook bij de jongeren was naar haar zeggen voldoende talent voorradig.

Om meteen een nieuwe impasse uit te sluiten, deed Caro van Eyck op het podium van de Stadsschouwburg de toezegging dat ze binnen drie maanden bij de notaris al een nieuwe naam zou deponeren. “Dat zal een vrouw van haar generatie zijn,” noteerde een verslaggever. “Maar Caro van Eyck behoudt zich het recht voor die naam te veranderen, omdat er jonge actrices tot ontwikkeling kunnen komen. Zij zelf zal de tijd bepalen waarop de ring zal worden doorgegeven.”

Die tijd kwam toen er bij haar plotselinge overlijden, in september 1979, inderdaad een nieuwe naam in haar testament bleek te staan. Ze had de ring vermaakt aan haar jongere collega Annet Nieuwenhuyzen, 'voor de zuivere benadering van haar personages, zowel in het klassieke als in het moderne repertoire'. Het sieraad werd, na een voorstelling van Moeder Courage van het Publiekstheater, uitgereikt door minister Gardeniers van CRM, vanzelfsprekend in de Stadsschouwburg - met de woorden: “De Theo Mann-Bouwmeesterring is ontstaan door een persoonlijk en groots gebaar vol theatrale souvereiniteit. Zij verheft de draagster tot koningin van het toneel.”

Maar eigenlijk paste zulke taal nauwelijks meer in het tijdsgewricht dat relativering en ironie tot zijn voornaamste eigenschappen rekende, de hiërarchie had afgezworen en dus zeker geen voorstellingen meer maakte ter meerdere eer en glorie van één acteur. Kenmerkend was dan ook de manier waarop toneelcriticus Jac Heijer het in NRC Handelsblad formuleerde: “De draagster zou zich de beste actrice van het land kunnen noemen.”

Annet Nieuwenhuyzen, die zelf nog de tijd had meegemaakt dat beginnende acteurs de strekking van de voorstelling ontging omdat ze alleen hun eigen teksten onder ogen kregen, bleek evenmin veel voor een voetstuk te voelen. Ze was vereerd, maar nam zich onmiddellijk voor snel een opvolgster aan te wijzen. “De draagtijd is tot nu toe gemiddeld 23 jaar, dat vind ik wat lang,” zei ze tegen de Haagse Post. “Ik kan me voorstellen dat mijn voorgangsters hem zo lang hebben gehouden, want als je uitgerangeerd raakt, is zo'n ring wat je nog bindt.” Maar zo ver zou zij het niet laten komen. Nu, op haar 63ste, is Annet Nieuwenhuyzen verreweg de jongste weggeefster.

Ragdun

In navolging van haar voorgangster had ook zij onmiddellijk een nieuwe naam bij de notaris gedeponeerd. In dit geval is bovendien bekend welke naam dat was, want ze heeft gezegd die sindsdien niet meer te hebben veranderd: komende zondag geeft ze de ring door aan Anne-Wil Blankers, die vooral de laatste jaren 'een groot scala van talenten' heeft laten zien en is 'uitgegroeid tot een actrice van grote allure'. De ring zal haar vermoedelijk alleen aan de pink kunnen worden geschoven, want de ragdunne Else Mauhs heeft hem volgens de overlevering kleiner laten maken.

In een hel verlichte kleedkamer belooft Anne-Wil Blankers (53) desgevraagd het voorbeeld van Annet Nieuwenhuyzen te zullen volgen. “Het lijkt me mooi de ring weer door te geven als ik officieel met pensioen ga,” zegt ze. “Over twaalf jaar. Als ik tenminste vóór die tijd genoeg toneelvoorstellingen heb kunnen zien om iemand aan te wijzen. Dat is altijd het probleem als je toneel speelt: je ziet veel te weinig toneel van anderen.”

De aanstaande ringdraagster kan, “hoewel ik bij voorkeur nuchter tegen die dingen aankijk”, niet ontkennen dat ze de laatste vier jaar, door rollen in Heldenplatz, Bobby Fischer is alive, Kleine Zielen en de vrije produktie De markiezin, is 'doorgebroken'. Ze beaamt weliswaar dat de verhoudingen binnen het toneel sinds de dagen van Theo Mann-Bouwmeester ingrijpend zijn veranderd, maar in de rolverdeling is de hiërarchie niet verdwenen: “Grote rollen zìjn er nu eenmaal, en die moeten zo goed mogelijk worden gespeeld. Ik dacht dat dat onze opdracht was.”

Het betekent naar haar mening niet dat automatisch ook alle onderscheidingen zijn gedateerd. “Natuurlijk, het toneel kan best zonder onderscheidingen. Maar het zijn nu juist prijzen als deze, die het aardig maken. Het is goed voor de hele toneelwereld: het geeft het toneel in de ogen van het publiek iets feestelijks, en daar kunnen we volgens mij allemaal van profiteren.” Ze kan niet ontkennen dat het nieuws over de aanstaande uitreiking 'wel een raar soort druk' heeft gelegd op de repetities voor Mevrouw Warrens beroep, de voorstelling waarin zij op dit moment de hoofdrol speelt: “Ineens had ik het gevoel dat ik moest bewijzen dat ik de ring waard ben. Stel je voor dat het niks wordt met deze voorstelling, dacht ik steeds. Dat is nu eenmaal nooit helemaal uit te sluiten.”

De plechtigheid vindt plaats in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag, want daar hebben de beide kunstzusters hun huidig domicilie. Tot dusver heeft niemand daartegen geprotesteerd. Maar een breuk in de traditie is het wel: de Theo Mann-Bouwmeesterring is ingesteld namens 'de Amsterdamsche burgerij' en de vier vorige draagsters ontvingen het ereteken dan ook in de Stadsschouwburg van Amsterdam. Den Haag heeft dat nu stilzwijgend aan de hoofdstad onttrokken, als was het een antwoord op de vraag in welke van de twee steden de toneeltraditie het best wordt bewaard.

    • Henk van Gelder