96.000 seizoenen in de hel; Brieven van Charles Bukowski

Charles Bukowski: Screams from the Balcony, selected letters 1960-1970. Uitg. Black Sparrow Press, 372 blz. Prijs ƒ 36,50.

In de zestig jaar dat hij dronk heeft de Amerikaanse schrijver Charles Bukowski de dood meerdere malen in de ogen gezien. Hij heeft eens in een gedicht beschreven hoe hij op een nacht, terwijl hij in bed lag, zijn ziel zijn lichaam voelde verlaten. Hij moest herhaaldelijk opstaan, alle lichten aan doen en zijn ziel van de grond oprapen. Vorige maand lukte dat niet meer. Hij overleed op 73-jarige leeftijd aan de gevolgen van een longontsteking in een ziekenhuis in San Diego.

Wat Bukowski op zijn beste momenten tot een groot schrijver maakte, was de combinatie van onverbloemd realisme, ook in zijn grove taalgebruik, en een sterke hang naar mythologisering. Hij blies zijn eigen leven en dat van zijn lotgenoten in de onderklasse op tot heroïsche proporties, in een poging om betekenis te geven aan een stompzinnig bestaan. Hoewel hij zichzelf altijd een misantroop noemde, spreekt uit zijn werk een groot mededogen voor zijn vaak bizarre personages.

Dank zij de film Barfly waar hij het scenario voor schreef, was Bukowski op hoge leeftijd nog een nationale beroemdheid geworden in de Verenigde Staten. Dit was ook te danken aan de popster Madonna die hem 'the coolest guy in the world' heeft genoemd. Zijn autobiografische werk verloor inhoudelijk en stilistisch iets van de oorspronkelijke rauwheid en directheid door de relatieve rust en welstand van zijn latere jaren. Bukowski deed in zijn beste boeken verslag van zijn ervaringen aan de onderkant van de Amerikaanse samenleving. Latere beschrijvingen hoe hij zijn tuin sproeit of een BMW koopt, zijn minder aangrijpend. Maar het laatste boek dat bij zijn leven verscheen, is een terugkeer naar de schrijver op zijn creatieve hoogtepunt.

Screams from the Balcony, zoals altijd prachtig uitgegeven door Black Sparrow Press, is een selectie uit de brieven die hij schreef tussen 1960 en 1970. Het bestaan van dit boek is te danken aan Bukowski's afkeer van de telefoon: “Ik ben niet erg goed in praten over de telefoon, of in praten in het algemeen, en als ik de hoorn neerleg voelt het altijd alsof ik gefaald heb.”

Hij schreef elke dag twee of drie brieven. Bukowski's thema was Bukowski, dat gold ook voor zijn brieven. Zoveel zelfexpressie zou vervelend kunnen worden, als het gemak en plezier waarmee hij schreef niet zo aanstekelijk zou werken. Hij begon zijn brieven vaak met een beschrijving van zijn situatie - naar welke muziek hij luistert met een korte recensie van de componist, wat hij drinkt - en het regelen van literaire zaken. Hij wijdde vervolgens lange, losse beschouwingen aan literatuur, vrouwen en zelfs politiek. Soms ging hij over op versregels, waarbij hij zijn eigen stijl parodieerde. Kees Fens schreef de teloorgang van de brief als literair genre ooit toe aan het verdwijnen van de vaste vormeisen waaraan een brief in vroeger eeuwen moest voldoen. Bukowski bewees het tegendeel met deze spontane, maar raak geformuleerde uitbarstingen.

Dode vis

Bukowski's correspondenten, wier brieven niet zijn opgenomen, waren allen obscure dichters en uitgevers. Samen vormden zij een ondergronds literair netwerk, dat gestencilde poëziebundels en tijdschriften uitbracht in oplagen van zo'n tweehonderd exemplaren. Bukowski was zelf in de jaren zestig een dichter met weinig succes. Nu wordt voor zijn eerste bundels door verzamelaars grof geld betaald.

Hij schreef in deze tijd een aantal van zijn beste gedichten. Een deel daarvan is in 1974 opnieuw verschenen onder de titel Burning in Water, Drowning in Flame. Zijn stijl was in deze periode lyrischer en surrealistischer dan het latere werk dat anekdotischer en parlando-achtiger is. Ook in zijn brieven strooide hij met vreemde, delirische beelden. Hij bidt voor dode vissen en droomt van de beenderen van de linkervoet van Chopin.

Bukowski leed aan vele kwalen. Zo waren er de lichamelijke klachten: “Ik krijg nooit prachtige, nette ziekten waar je over kunt praten bij een kopje thee, maar maagzweren en bloedingen, krankzinnigheid, builen, ingegroeide teennagels en nu aambeien.” Hij leed ook aan depressies - “Ik vecht in een rood-groene oorlog en mijn kant verliest” - die hij bestreed met drank, zodat hij een paar keer in een cel belandde wegens openbare dronkenschap.

De meest dramatische gebeurtenis in deze periode van zijn leven was begin 1962 de dood van zijn grote liefde, de alcoholiste Jane Cooney Baker. Bukowski had zich voorgenomen om ooit nog een roman over haar te schrijven, simpelweg getiteld Whore, maar daar is het niet van gekomen. Hij richtte wel een monument voor haar op in Barfly, waarvan de vrouwelijke hoofdpersoon was gebaseerd op haar leven.

In de tien jaar dat de brieven beslaan werkte Bukowski op een postkantoor, waar hij elke avond urenlang post sorteerde. “96.000 seizoenen in de hel,” schreef hij met een verwijzing naar Rimbaud. Hij besloot menige brief met de vervloeking dat hij moet stoppen met schrijven omdat hij naar zijn werk moet. Zijn correspondentie nam elk jaar af in de maand december, omdat hij dan moest overwerken vanwege de kerstdrukte. Later zou hij over deze ervaringen zijn meest bekende roman Post Office schrijven.

In 1964 werd een van zijn vriendinnen onverwacht zwanger en zag Bukowski zich gedwongen om samen te gaan wonen met vrouw en kind. Hoewel hij met veel liefde over zijn dochter schreef, bleek hij niet echt geschikt voor het gezinsleven. Al na anderhalf jaar vertrok zijn vriendin om met zijn kind in een commune te gaan leven. Veel hiervan heeft hij ook elders beschreven. De lezer krijgt een soort ooggetuigenverslag van de gebeurtenissen die in iets gepolijstere vorm in zijn verhalen en gedichten terugkeren. Er is geen onderscheid te maken tussen de ik-figuur in de brieven en in zijn andere werk.

In het laatste kwart van de jaren zestig kwam Bukowski uit zijn isolement. Vreemd genoeg had de hippie-generatie bewondering voor de oude non-conformist, al moest hij weinig hebben van hun idealen om de wereld te verbeteren. Hij ging een column, Notes of a Dirty Old Man, schrijven voor een hippiekrant, waarmee hij een groter publiek bereikte dan hij ooit met poëzie had gedaan. In dezelfde tijd ontmoette hij de oprichter van Black Sparrow Press, John Martin, die hem een vast maandelijks voorschot aanbood. In november 1969 kon Bukowski eindelijk zijn baan bij het postkantoor opzeggen. Hij was toen vijftig jaar. In de laatste brief in deze collectie schreef hij: “Ik behoor nu tot de werkelozen met niets dan een typemachine en een paar penselen om de wereld op afstand te houden. Dus duim voor me en hoop dat de goden aan mijn kant staan.” Op een halve eeuw ellende zouden 23 goede jaren volgen.

    • Peter de Bruijn