Wereldomroep buigt voor publiek bestel

HILVERSUM, 28 APRIL. Het kwam niet onverwachts, de aankondiging van interim-directeur B. Gribnau van de Wereldomroep. Dinsdag maakte hij bekend dat bij het bedrijf 70 banen worden geschrapt en de uitzendingen in het Arabisch, Frans, Portugees en Indonesisch voorgoed van de korte golf verdwijnen. Het besluit welke programma's voor de bijl zouden gaan, dat was “het moeilijkste van alles”, aldus Gribnau. “Daar waren geen objectieve criteria voor.”

Maar verder was alles zo helder als glas geweest. Het bestuur had vorig jaar na een uitvoerig onderzoek onder de medewerkers de toenmalige directie naar huis gestuurd en Gribnau aangesteld om het bedrijf te reorganiseren. Dat er programma's zouden verdwijnen, meldde Gribnau vorig jaar december al, en ook dat er arbeidsplaatsen op de tocht stonden. De Mediaraad rapporteerde in oktober 1992 aan de minister van WVC dat de Wereldomroep zijn prioriteiten moest verleggen van “oude doelgroepen als emigranten” naar een nieuw publiek, zoals de in Europa verblijvende Nederlanders. De Mediaraad deed nog een paar suggesties, waaronder de mogelijkheid de Wereldomroep nog uitsluitend overheidsinformatie te laten uitzenden. Minister d'Ancona van WVC hoefde geen moment zelfs maar haar vinger waarschuwend in de richting van de Wereldomroep te heffen. Als door een hond gebeten wees de Wereldomroep het rapport van de Mediaraad eerst fel van de hand, om daarna de eigen organisatie toch maar eens kritisch onder de loep te nemen. Het bestuur van de omroep, dat kan bogen op goede contacten in politiek en ambtenarij, werd daartoe mede aangezet door geluiden uit 'Den Haag' dat, als zij niet zelf 'orde op zaken' stelde, extern zou worden ingegrepen. Dat een grote organisatie als de Wereldomroep zich van tijd tot tijd bezint op zijn taken, is meer dan begrijpelijk. Maar voor de maatregelen die de Wereldomroep nu neemt, is vanuit Den Haag nooit een formele opdracht gekomen. Het geld dat de omroep bespaart door uitzendingen te schrappen en medewerkers te ontslaan, komt ten goede aan een reeks van 'verbeteringen', waarvan de belangrijkste zijn een uitbreiding van het aantal uitzenduren voor West-Europa van drie naar tien, een programma gericht op Oost-Europa (een tot nog toe blinde vlek op de kaarten van de Wereldomroep) en Engelstalige uitzendingen naar Amerika en Australie, voor een “realistisch beeld van Nederland als Europese Natie”.

Duidelijk is dat de uitbreiding van de uitzendingen op West-Europa de binnenkort demissionaire minister d'Ancona goed van pas komt. Zij is met de Kamer in een gevecht gewikkeld over Radio 1, dat zij op de FM-band wil houden, maar de Tweede Kamer op de middengolf, voor vrachtwagenschauffeurs en andere Nederlanders die in een straal van pakweg 600 kilometer rondom Lopik het station goed kunnen ontvangen. Radio 1 twee keer doorgeven mag niet van 'Europa', een frequentie moet er dus uit. Het weggeven van een landelijke FM-band met een haarzuivere ontvangst aan een commerciele zender, dat het gevolg zou zijn van het behouden van Radio 1 op de middengolf, is zonde en slecht voor de positie van de publieke omroepen. d'Ancona moet frequenties weggeven aan commerciele stations om de vijf frequenties voor de publieke omroepen Europees rechtelijk te legitimeren.

De Wereldomroep biedt uitkomst voor dit probleem. Een uitgebreid Europees programma van de Wereldomroep kan Radio 1 op de middengolf vervangen.

Zo levert de omroep een bijdrage aan de verbetering van de positie van de publieke omroep, waarnaar d'Ancona de afgelopen vier jaar heeft gestreefd. En zo stelt de Wereldomroep van zijn kant de 78 miljoen gulden uit de omroepmiddelen zeker. Maar het is de vraag of zeventig gedwongen ontslagen, voor een belangrijk deel buitenlanders die zich gewetensvol aan het informeren van achtergestelde volkeren hebben gewijd (een van de hoofddoelstellingen van de Wereldomroep), een rechtvaardige prijs zijn voor het behoud van een bestel. Daarbij kunnen grote vraagtekens worden gezet. Van de (hoofd)doelstelling van de Wereldomroep om volkeren met een informatieachterstand 'bij te praten', is weinig overeind gebleven. In vage bewoordingen zegt het management dat deze “statutaire opdracht in projectvorm verder gestalte zal krijgen”. Het schrappen van Indonesisch, Arabisch, Portugees (voor Brazilie) en Frans (voor Afrika) is het resultaat van het naast elkaar zetten van de kosten en het rendement, in deze het aantal luisteraars. Dat niet hele volkeren met rode oren aan de radio gekluisterd liggen tijdens de uurtjes Arabisch van de Wereldomroep, wekt geen verbazing. Maar dat de uitzendingen geen effect zouden hebben, kan aan het aantal luisteraars niet worden afgelezen.

Opvallend is verder de geringe bereidheid van de Hilversumse omroepen om met de Wereldomroep samen te werken. Gepolst door de Wereldomroep willen de Hilversumse zendgemachtigden (met jaarlijks ruim 800 miljoen gulden uit de omroepmiddelen en 400 miljoen gulden aan reclame-inkomsten) wel programma's afstaan voor de Europese uitzendingen, maar alleen als (her)uitzending beperkt blijft tot een piepende en krakende korte golf. Dat is opmerkelijk, omdat de Mediawet, waarmee de Eerste Kamer na enige aarzeling bij de PvdA deze week uiteindelijk in ruime meerderheid instemde, het publieke bestel in eerste aanleg in bescherming wil nemen tegen commerciele concurrentie. De Wereldomroep kan daaronder nauwelijks worden geschaard.