Wat

Paasproefwerk geschiedenis voor 1 mavo/havo.

Vraag 4: Noem 3 soorten geestelijken (uit de Middeleeuwen).

Vraag 5: Beschrijf in geur en kleur het leven van de edelen rond het jaar 900.

De stukjesschrijver mag slechts één onderwerp meer dan eens aan de orde stellen. Voor de generalist is dat het onderwerp: “Wat te doen.”, ofwel, “Waartoe zijn wij op aarde?” De stukjesschrijver uit de klas heeft als alles overschaduwend probleem: “Wat te onderwijzen?”

Sluipenderwijs wijzigen didactische opvattingen zich de laatste jaren. Alle ingewijden zijn zich er bewust van. Het onderwijs moet zo ingericht worden, vindt de onderwijswereld, dat je met het geleerde meer kunt doen. De kennis moet gebruikt kunnen worden. De laatste paar jaar zijn de termen 'toepassingsgericht' en 'vaardigheden' in de mode. Dit is niet vanzelfsprekend, het zou anders kunnen. Algemene ontwikkeling bijvoorbeeld is uit. Algemene ontwikkeling (vraag 4, zie boven) is het tegengestelde van vaardigheid (vraag 5). Vakken met een hoog gehalte aan algemene ontwikkeling, zoals geschiedenis en aardrijkskunde staan op de tocht omdat de toepasbaarheid van deze kennis laag wordt ingeschat.

Ik vind het best, de nadruk op vaardigheden, en ga geïnspireerd door Pieter en Frans nog een stap verder. Pieter Licht was universitair didacticus met veel goede ideeën, die ik nog steeds gebruik. Helaas voor het onderwijs viert hij nu zijn didactische gaven bot bij de PTT. Uit een klein artikel van hem pluk ik de volgende zinnen: “Leg in het leren van je leerlingen de nadruk meer op het hoe en minder op het wat. Leren hoe te leren wordt steeds belangrijker.”

Met een dikke honderd collega's kreeg ik college van Frans Saris, aan de lezer bekend van zijn vele bijdragen op pagina 2 van dit katern: “Mijn studenten natuurkunde, dat zijn ongeveer jullie beste eindexamenklanten, kunnen niet lezen, schrijven, luisteren en praten. Leer ze dat alsjeblieft, en leer ze minder van je eigen vak.”

Nu maken we even een klein denksprongetje. Frans en Pieter plaatsen de vaardigheden en niet de leerstof centraal. Sterker nog, de leerstof moet zijn: vaardigheden. Op grond van deze opvatting zou vraag 5 kunnen luiden: “Beschrijf in geur en kleur je verjaardag, hondepoep, of de groei en bloei van de geelgerande woestijnanemoon.” De leerling hoeft niets te weten van de edelen uit 900, maar moet in geur en kleur kunnen beschrijven.

Als vaardigheden centraal worden gesteld in het onderwijs heeft dat vergaande consequenties. Dan moeten deze vaardigheden een (groot) deel van de traditionele stof vervangen. In het bijzonder de lessen van de commissie Ginjaar-Maas, de stuurgroep profiel, zouden hier over moeten nadenken. En ook denkscooters (denktanks lijkt me een te groot woord) als de voor de stuurgroep peinzende werkgroepen.

Het is voorjaar en bij het voorjaar hoort het eindexamengevoel. Het is nu echt gezellig in 5 havo. De ongedwongenheid bereikt z'n hoogtepunt, we scheren gezamenlijk langs de rand van de brutaliteit. Het was een gezellig maar te vol jaar. In de laatste weken vóór het examen moeten we nog anderhalf hoofdstuk doorjakkeren, nog even drie lepels kennis er in proppen. 5 Havo heeft bij mij te weinig tijd besteed aan de ontwikkeling van vaardigheden, omdat ik ze iets anders moest leren.

Frans Saris, hoogleraar in een sector waar de beruchte aansluitingsproblematiek het grootst heet te zijn, doceerde: “Leer ze minder.” Hij bedoelt, onderwijs in vaardigheden moet in de plaats van traditionele leerstof komen. Er moet dus in examenprogramma's geschrapt worden, mensen.

    • Rob Knoppert