Te veel 'pr' schaadt journalistenraad

De Raad voor de Journalistiek zal de uitzending van Reporter over Brinkman niet zelf op de snijtafel leggen. Twee leden van de raad hadden een onderzoek op eigen initiatief voorgesteld, nadat Lubbers en Brinkman schande van het programma hadden gesproken en CDA-Kamerlid Hillen en zo'n duizend andere gegriefde KRO-leden hun lidmaatschap hadden opgezegd. Maar de meerderheid van de raad wees het voorstel van de hand. Sommige bestuursleden van de Stichting waar de raad onder ressorteert, spraken hierover hun teleurstelling uit. “Het was een unieke kans geweest om de raad meer postuur te geven”, verklaarde bestuurslid R. Hopmans. En voorzitter A. Abram pruilde: “Wij dachten in onze onschuld dat dit een mooie zaak was voor een dergelijke profilering”.

De Raad voor de Journalistiek worstelt sinds jaar en dag met zijn imago. Bedaagdheid en vrijblijvendheid kenmerken dit orgaan. Zolang de uitspraken niet al te beledigend zijn voor de persvrijheid en bovendien geen dwingende sancties tot gevolg hebben dulden de meeste vakgenoten zijn optreden vanwege de bufferfunctie tussen journalistiek en rechtspraak. Maar met dit low profile was de Stichting Raad voor de Journalistiek niet langer tevreden. In zijn hunkering naar erkenning besloot het stichtingsbestuur vorig jaar de bevoegdheden van de raad op te rekken: voortaan zou men zich niet beperken tot zaken die door klagers worden aangebracht, maar ook op eigen initiatief kwesties op de rol zetten. De behandeling door Reporter van de zaak Elco B. zou een testcase worden voor de nieuwe aanpak.

Maar het werd al snel duidelijk dat de raad slecht uit de voeten kon met zijn nieuwe rol. Er waren klagers over de uitzending (Brinkman, Lubbers, Hillen en de hunnen), maar die deponeerden hun klacht niet bij de raad. KRO-voorzitter annex CDA-prominent Braks riep de raad publiekelijk op het thema 'vermenging van justitiële en journalistieke activiteiten' eens onder de loep te nemen, maar ook hij bracht de zaak niet aan. Hoe kan in zo'n situatie de raad zelf nog de zaak aanhangig maken zonder de verdenking van partijdigheid op zich te laden? De onpartijdigheid was bovendien op de proef gesteld door een commentaar tegenover Het Parool van het raadslid Ger Dullens, een van de aanbrengers. Hij bleek op voorhand van oordeel dat de Reporter-uitzending nogal suggestief was geweest.

Van buitenaf werd kruit aangedragen door de ethicus Huub Evers in NRC Handelsblad van 18 april. Hij zag een vonnis van het Reporter-team al helemaal voor zich. Echter niet op grond van de vermenging justitie-journalistiek, het thema waarop de zaak door de beide leden van de raad was aangekaart, maar op grond van de 'suggestieve' presentatie. Het feit dat in de uitzending enkele malen was benadrukt dat Brinkman niet tot de verdachten behoorde, was volgens hem niet alleen onvoldoende tegenwicht tegen de suggestie dat er iets niet pluis was met de CDA-lijsttrekker, de insinuatie van betrokkenheid ging volgens Evers zelfs juist van die herhaalde mededeling uit. Het is de vraag of de Raad voor de Journalistiek deze ver gezochte redenering ooit voor zijn rekening zou nemen.

Als de raad zijn onafhankelijke reputatie te grabbel wil gooien, moet men zichzelf vooral een affaire als de zaak Elco B. in de maag splitsen waarbij flink wat partijpolitieke belangen in morele verontwaardiging zijn verpakt, en dan bij voorkeur in verkiezingstijd. Iedere uitspraak in een zo geruchtmakende affaire zou onvermijdelijk door dezen dan wel genen als een politiek standpunt zijn uitgelegd. Hetzij als een lakeiendienst ten gerieve van het CDA (de boodschappers van het slechte nieuws straffen), hetzij als een bijdrage in de samenzwering tegen de lijsttrekker van het CDA (actie beschadiging Brinkman), hetzij als een poging de kool en de geit te sparen.

Dat enkele leden van de raad niettemin uitgerekend deze zaak aanbrachten is mede het gevolg van een verkeerd uitgangspunt: ze selecteerden de zaak niet op grond van het belang dat met die zaak zelf zou zijn gemoeid, maar op grond van het belang dat men ziet in de promotie van het instituut 'Raad voor de Journalistiek'. Het is toch nauwelijks voorstelbaar dat journalisten die op grond van zo'n 'promotie-zaak' een negatief oordeel van de raad aan de broek krijgen zich daaraan ook maar iets gelegen zouden laten liggen.

Het besluit om ten behoeve van het promoten van de raad zelf journalistiek-ethische kwesties aan te kaarten moet als een vergissing worden beschouwd. De enige manier om gezag te verwerven ligt in het doen van zorgvuldige en wijze uitspraken. Personen die de raad willen inzetten voor welk soort profilering dan ook kunnen beter elders hun kansen beproeven.

    • Voorlichting in Tilburg
    • Frans Godfroy