Stroomsector zoekt evenwicht tussen planning en markt

DEN HAAG, 28 APRIL. Moeizaam probeert de elektriciteitssector in Nederland - met de achterhaalde structuur van de nog altijd sterk door de overheid gedomineerde 'nutsbedrijven' - zich meer op de markt te richten. Uit een dagje door Euroforum georganiseerd congresseren in Den Haag kwam gisteren behalve een vloed aan vakjargon ook een vrij principiële verdeeldheid naar voren tussen produktie- en distributiebedrijven over de beste manier om het bedrijfsleven aan zo goedkoop mogelijke energie te helpen.

De miljoenen huishoudelijke afnemers van elektriciteit zal de manier waarop stroom in Nederland wordt opgewekt, verkocht en getransporteerd, betrekkelijk onverschillig laten. Zeker als zij zich realiseren dat Nederland met stroom tot de voordeligste landen in West-Europa behoort.

Maar vooral voor de energie-intensieve basisindustrie in Nederland, met produktiekosten die voor 20 tot 50 procent uit elektriciteit bestaan, zijn de organisatie en de wijze van stroomproduktie en -levering van levensbelang voor de concurrentiepositie.

De elektriciteitssector zelf, die met een jaarlijkse omzet van 40 miljard gulden voor 8 procent van het nationaal inkomen zorgt, acht een nieuwe oriëntatie dringend nodig, maar ze weet nog niet hoe. Behalve aanpassing aan de markt wordt ook verdere schaalvergroting overwogen, omdat de Nederlandse elektriciteitsbedrijven eigenlijk te klein zijn in vergelijking met de Europese partners en daardoor ten prooi kunnen vallen aan overnames. Alleen het aandeelhouderschap van provinciale en gemeentelijke overheden vormt daarop nog een rem, maar er zijn geen wettelijke bepalingen die een besluit tot verkoop van aandelen in de weg staan. Maar ook over een mogelijke fusie van de vier grote stroomproduktiebedrijven bestaat geen eensgezindheid. Het Zuidhollandse EZH is vóór, maar andere bedrijven vinden juist dat vier producenten in een nieuw, vrijer systeem van samenwerking voor de broodnodige concurrentie kunnen zorgen.

Mevrouw dr. M.C.G. Hartmann, directeur van de Vereniging Krachtwerktuigen en een van de vertolkers van de industriebelangen op het congres, stelde geërgerd vast dat geen enkel verkiezingsprogramma aandacht besteedt aan de toekomst van de 'E-sector', maar dat nieuwe energieheffingen wel een grote populariteit bij de lijsttrekkers genieten. Het wordt hoog tijd, vindt zij, voor meer concurrentie en op maat toegesneden contracten tussen leveranciers en afnemers, waarbij voor sommige bedrijven de leveringsgarantie door één leverancier geen strikte voorwaarde meer is en ook de planning van minder belang wordt. Immers, in een geliberaliseerde markt kan de klant de verlangde zekerheid elders kopen, en desnoods terecht op de spotmarkt voor stroom.

Zover is het nog lang niet. Weliswaar heeft de elektriciteitssector aan schaalvergroting gedaan door fusies en geïnvesteerd in een modern produktiepark, het stelsel van wettelijke regels en verplichtingen is nog knellend. Het huidige systeem van 'pooling' van de kosten voor stroomopwekking biedt de mogelijkheid tot innovaties zoals in het Limburgse Buggenum (kolenvergassing) in Borssele (modernisering kerncentrale). Maar tegelijkertijd vormt dat systeem - gisteren een “kartel van het zuiverste water” genoemd - een ernstige belemmering voor de concurrentie tussen de vier grote produktiebedrijven, omdat de verschillen in kosten er bijna volledig door verdwijnen.

Bovendien is er ondanks de planning door de Samenwerkende elektriciteits-produktiebedrijven (SEP) een aanzienlijke overcapaciteit in de opwekking van stroom ontstaan door de sterke, ongecoördineerde opkomst van warmte/krachtcentrales (WKK). Hoe er met dit decentrale vermogen (kleinere centrales) moest worden omgegaan heeft de SEP zich niet goed en niet tijdig gerealiseerd, aldus de critici. Achteraf heeft minister Andriessen (economische zaken) volledig gelijk gekregen met zijn weigering, drie jaar geleden, om de bouw van een grote kolencentrale op de Maasvlakte goed te keuren.

De overheid zelf wil uiterst voorzichtig omspringen met de 'E-sector', zo bleek gisteren uit de bijdrage van de directeur-generaal energie van het ministerie van economische zaken, mr. drs. C. Dessens. Hij wil hoge eisen blijven stellen aan de betrouwbare en betaalbare stroomvoorziening, waarvoor een centrale planning onontbeerlijk is, en tegelijkerijd wel zoveel mogelijk marktwerking introduceren. Daarbij zal volgens Dessens een monopoliepositie voor de distributiebedrijven blijven bestaan, met een zekere betrokkenheid van de overheid.

Juist deze monopolieposities zijn de Europese Commissie echter een doorn in het oog. Ze kunnen doorbroken worden door de activiteiten van energiebedrijven, zoals verkoop, transport en distributie van elkaar los te koppelen en aparte ondernemingen die eigen leidingnetten exploiteren, toe te laten op de markt. Volgens de Commissie wijkt elektriciteit niet wezenlijk af van andere produkten waarvoor de vrije Europese markt moet gelden, en zij is dan ook bereid dit meningsverschil met een aantal lidstaten tot bij het Europese Hof uit te vechten.

Dat gevecht zal nog zeker enkele jaren duren, maar ook op nationaal niveau is nog veel overleg nodig om tot een oplossing voor de elektriciteitssector te komen die vooral het bedrijfsleven meer armslag en kostenvoordelen zal bieden. De sector heeft zichzelf tot 1 oktober de tijd gegund om het over de hoofdlijnen eens te worden. SEP-directeur ir. N. Ketting toonde zich daar gisteren optimistisch over, maar zijn tegenvoeter in het debat, ir. W.K. Wiechers, directeur van de Provinciale Noordbrabantse elektriciteitsmaatschappij (PNEM) voorziet grote problemen.

“We zijn het over de principes van een nieuwe systeem niet eens en ik zie nog weinig vooruitgang. De markt moet onze sector gaan sturen, en niet omgekeerd, de klant moet centraal komen te staan. Wat Dessens voorstaat doet me te veel denken aan een grand design dat door de overheid wordt afgedwongen”, zegt de PNEM-directeur. Hij vindt dat de capaciteitsplanning voor de elektriciteitsopwekking snel verbeterd moet worden en dat de prijsstelling drastisch moet veranderen door een flexibeler basistarief, om klanten aantrekkelijke contracten te kunnen bieden.

Hoezeer de 'E-sector' nog is vastgeroest in het oude denken van nutsbedrijven die geen concurrentie kenden, blijkt uit Wiechers' mening dat zijn PNEM eigenlijk het schokeffect nodig heeft van het vertrek van een grote klant. “Die prikkel heb ik nodig om mijn medewerkers te overtuigen dat het anders moet, dat we veel meer naar de wensen van de klant moeten kijken. En dat zou zich dit jaar nog wel eens kunnen voordoen.”

Wiechers weet dat een van zijn grote afnemers een nieuw, voordeliger contract wil. Diezelfde klant onderhandelt ook al met een andere leverancier en overweegt bovendien een eigen centrale te bouwen. Ook heeft de PNEM een verzoek van Akzo Nobel in Europoort gekregen voor een voordeliger contract dan het Rotterdamse elektriciteitsbedrijf nu biedt. Zo begint de concurrentie de nutssector toch behoorlijk nerveus te maken.