Stikstofzuinige rassen vragen minder bemesting

Plantenveredeling kan ertoe bijdragen om Engels raaigras - de meest gangbare grassoort die je in vrijwel elk weiland aantreft - zuiniger met stikstof te laten omspringen. Nieuwe raaigrasrassen met een verbeterde stikstofrespons hebben minder stikstofbemesting nodig, terwijl hun produktie toch op peil blijft. Minder bemesten hoeft dan voor de boer geen financiële strop te zijn. Dat blijkt uit berekeningen uitgevoerd door onderzoekers van het Proefstation voor de Rundveehouderij in Lelystad in samenwerking met het Centrum voor Plantenveredelings- en Reproduktieonderzoek in Wageningen. Het rapport “Perspectieven van de grassenveredeling voor bedrijfsinkomen en mineralenoverschotten”wordt vandaag in Wageningen gepresenteerd.

Het idee is om nieuwe grasrassen een verbeterde stikstofefficiëntie en betere verteerbaarheid mee te geven. Engels raaigras is de meest ingezaaide soort voor de ruwvoerteelt. De afgelopen 20 jaar is de ruwvoerproduktie van rassen van Engels raaigras met 10 procent gestegen. Volgens de onderzoekers behoort een verdere produktieverhoging van nog eens tien procent tot de mogelijkheden, dit bij een gelijkblijvende stikstofgift. Daartoe moet men het zoeken in selectie op eigenschappen zoals een andere spruit-wortelverhouding en betere hergroeisnelheid. Er blijkt op dit terrein de nodige genetische variatie te bestaan. Sommige raaigras-'lijnen' produceren zeer snel na het maaien of afgrazen nieuw blad. Andere zijn gezegend met een groot bladoppervlak in verhouding tot het drogestofgewicht van het blad of bezitten een relatief snelle bladgroei in verhouding tot hun totale groeisnelheid. Ook zijn er planten die extra efficiënt gebruik maken van het onderschepte zonlicht.

Al met al verwacht men de stikstofefficiëntie van het gras met 10 procent te kunnen verbeteren. De genetische verschillen in verteerbaarheid van het gras bedragen vier procent.

Men verwacht het veredelingswerk geleidelijk, in de loop van een periode van zo'n twintig jaar, te realiseren. De vraag blijft of de samenleving daar op kan wachten. De huidige melkveehouderij is allesbehalve milieuvriendelijk, van een gesloten systeem is absoluut geen sprake. Van alle stikstof die in de vorm van kunstmest en dierlijke mest op het bedrijf wordt aangevoerd, komt 85 procent niet in melk of vlees, maar in het milieu terecht. Stikstofverbindingen komen in de vorm van ammoniak in de lucht, wat tot verzuring en bossterfte leidt, of als nitraat in grond- en oppervlaktewater. Volgens het nu gepresenteerde rapport bedraagt het nationale stikstofoverschot zo'n 450 miljoen kilo. Daarnaast leidt de import van krachtvoer tot een omvangrijk fosfor- en kaliumoverschot.