Rode ogen

Dit hier op de foto is Rudy. Rudy is een verre verwant van de Hound of the Baskervilles maar weet dat in het dagelijks leven overtuigend te verbergen. Alleen als hij op de kleurenfoto gaat wordt zichtbaar dat zijn ogen een diepgele gloed uitstralen, op voorwaarde dat de fotograaf een flitslicht gebruikte.

Dat is het verschil tussen de ogen van Rudy en die van katten en krokodillen: die stralen ook licht terug als er het licht van een gewone, zwakke gloeilamp op valt. Het is, zoals bekend, te danken aan reflecterende kristallen die zich in het netvlies achter staafjes en kegeltjes bevinden.

Ook uit het menselijk oog ziet men gewoonlijk geen licht terugkeren. Wie een felle lamp op het gezicht zet en zichzelf, met hulp van een spiegel, eens goed in de ogen kijkt ziet de pupillen altijd diepzwart. De pupil is de regelbare opening in de iris die - optisch - vrije toegang verschaft tot het binnenste van het oog en als er ergens licht uit zou moeten komen zou het daar moeten zijn. Maar niets. Nooit. Geen sprankje.

Mensen hebben geen reflecterende kristallen. Integendeel, achter de staafjes en kegeltjes vindt men een dichte pigmentlaag die het restje licht dat de lichtgevoelige zintuigcellen passeerde tamelijk effectief absorbeert. Het weinige licht dat het netvlies weerkaatst wordt bovendien diffuus weerkaatst, het treedt nauwelijks door de pupil naar buiten.

Des te raadselachtiger is de sinistere rode gloed die uit de ogen straalt van mensen die met flitslicht zijn gefotografeerd en daarbij op een kleurenfoto terechtkwamen. Een effect dat zich, lijkt het, pas de laatste tien, vijftien jaar op brede schaal manifesteert en dat al heel wat gezinsopnamen heeft aangetast.

Hoe komt het effect tot stand en waarom trad het vroeger niet op, dat was het vraagstuk van deze week. Bij nader inzien lag het antwoord voor het oprapen, het stond op 10 juni '93 in deze krant en kwam van prof.dr. D. van Norren, werkzaam bij het Nationaal Lucht- en Ruimtevaart Geneeskundig Centrum (NLRGC) in Soesterberg. Het verschijnsel 'rode ogen' is inherent aan het gebruik van compactcamera's waarbij flitser en cameralens zo dicht bij elkaar staan dat de bundel flitslicht vrijwel samenvalt met de optische as van de camera. Camera's dus die als het ware 'meekijken' met de flitser. De intensiteit van de flitsbundel is zó ongekend groot dat een meetbare hoeveelheid licht van het netvlies terugkeert en door ooglens en hoornvlies evenzeer gebundeld wordt teruggestuurd naar de camera. Dat is het in ruwe trekken. Het 'rood' dat men te zien krijgt is de kleur van het bloed dat in de vaten voor en achter het netvlies stroomt.

Dat het is zoals Van Norren beweert wordt aannemelijk gemaakt door inrichting en werking van de oogspiegel die al in 1851 door Helmholtz werd ontwikkeld en aanvankelijk een kaars of petroleumlamp als lichtbron had. De oogspiegel werpt het licht in het oog dat tegelijk door een gat in het midden van de spiegel is te inspecteren. Men ziet het weldoorbloede netvlies, op voorwaarde dat wat atropine aan het oog is toegevoegd om de reflectorisch pupilvernauwing op te heffen.

De moderne elektronische flitser heeft zo'n korte lichtpuls (0.5 tot 2 milliseconde) dat alles alweer voorbij is voordat de iris reageert. De pupil vernauwt zich pas na 100 à 150 milliseconde. Overigens gold hetzelfde voor de ouderwetse wegwerpflitslampjes die toch nooit veel langer brandden dan 20 milliseconde. Ook dat was te kort voor een pupilreflex, waarmee aannemelijk is gemaakt dat het niet de aard van de flitser is die het rode-ogen-effect opeens zo algemeen heeft gemaakt. Het is de plaats van de flitser en daarbij het gegeven dat veel compactcamera's te pas en te onpas flitsen. Vaak is de flitser niet uit te schakelen. Zie toeristen flitsopnamen maken van het Koninklijk Paleis.

De camera-industrie is inmiddels weldoordrongen van de bezwaren van het rode-ogen-fenomeen. Zij probeert de flitser weer zover mogelijk van de lens af te krijgen en hoopt met het uitzenden van zogeheten 'voorflitsen' de pupillen van de te fotograferen personen al wat te vernauwen. Het tijdschrift Focus (januari '94) geeft een overzicht van de matige resultaten die de 'rode-ogen-reductiesystemen' behalen. Focus deed er wat aardige proefjes bij: het onderzocht de vraag of het rode-ogen-effect bij kinderen markanter is dan bij volwassenen. Kinderen hebben, onder gelijke lichtomstandigheden, grotere pupillen dan volwassene en zouden daarom ook meer licht terugkaatsen (het babyprobleem: weerwolfzuigeling). In de praktijk werden geen opmerkelijke verschillen gevonden. Ook over die andere bewering, dat sterk gepigmenteerde mensen (die gewoonlijk ook veel lichtabsorberend pigment in het netvlies bezitten) minder rode ogen vertonen, komt het blad niet met eenduidige opmerkingen.

Zo zijn er wel meer waarnemingen die, op zijn zachtst gezegd, de boven gebrachte theorie niet steunen. Bij voorbeeld dat dieren op flitsondersteunde kleurenfoto's eerder geel- of blauwgroen-oplichtende ogen bezitten. Wel rood bloed, geen rode ogen. Van Norren schrijft het toe aan het storend effect van allerlei pigmenten die de mens ontbeert.

Vreemd is ook dat de rode ogen alleen op de foto in beeld komen. Nooit hoort men van fotografen die de vlammende ogen van hun modellen rechtstreeks te zien kregen. Maar ook daar komt Van Norren wel uit: de film in de camera registreert de ogen uitsluitend terwijl ze vlammen, de fotograaf zelf krijgt de korte rode gloed 'verstopt' in het normale aspect. In de continue reeks gewone beelden valt de ultrakorte rode puls misschien niet op.

En nog eens wat. Als het oog eigenlijk een camera obscura is, en een fototoestel ook, dan moet wat het oog vertoont ook te vertonen zijn door een fototoestel dat met open lens wordt gefotografeerd en met de lens op de fotograaf gericht staat. Geen rode gloed misschien, maar wel een gloed. Pas als die foto er is kan de gegeven verklaring voor het rode-ogen-effect geaccepteerd worden.

    • Karel Knip