Op verkiezingspad

Van alle beelden van de dwaasheden die politici moeten begaan om de aandacht van het publiek te trekken zijn er voor mij drie onvergetelijk gebleven: de KVP-lijsttrekker Veringa achter een drumstel, de CHU-lijsttrekker Udink met een langharige pruik op verkiezingspad en de PPR-leider Bas de Gaay Fortman in een Maopakje. Zonder enige aarzeling acht ik het laatste voorbeeld het meest komische. Als iemand die onweerstaanbaar de indruk wekt eerst rector van het studentencorps te zijn geweest, daarna te hebben gedongen naar het insigne Beste Soldaat en zich vervolgens vrijwillig te hebben aangemeld bij de Koninklijke Marechaussee of de Stoottroepen, als zo iemand zich vervolgens bekeert tot de radicale beginselen en de kleding van de Grote Roerganger, dan heeft dat een zeer hoge vermakelijkheidswaarde, vooral als die iemand bij al deze metamorfosen vergeet ook de snor, de mimiek en het stemgeluid van de oude Adam af te leggen. Wie zijn ogen dicht deed en de tekst even vergat, hoorde immers onmiskenbaar het sonore stemgeluid van Molly Geertsema die ook immer de indruk wekte dat, voor welk gehoor hij ook stond, hij in gedachten bezig was het Leids Studentencorps toe te spreken.

Men zou daarom kunnen denken dat dit alles slechts uiterlijk vertoon was, bedoeld om de aandacht van de pers te trekken en populair te worden bij de jongeren. Maar dat is niet zo. De liefde voor het Grote Experiment en de bewondering voor de Grote Sprong Voorwaarts zaten er bij deze bevlogen politicus werkelijk diep in. Geen wonder dan ook dat hij de behoefte voelde het Rijk van het Midden zelf te bezoeken en van zijn ervaringen verslag te doen. Hij deed dat voor de lezers van de GPD, maar besefte gelukkig dat deze beschouwingen te belangrijk waren om ze aan de vergetelheid van de dagbladpers prijs te geven. Hij heeft ze dan ook aan dat lot onttrokken door ze vele jaren later op te nemen in een bundel, Onderweg genoteerd. Reisbrieven van de Bas de Gaay Fortman, uit 1980.

Aangezien ik de GPD-bladen niet lees en slechts zelden de neiging heb mij in het radicale gedachtengoed te verdiepen, moet ik bekennen dat het bestaan van dit werk lange tijd ongemerkt aan mij is voorbijgegaan. Pas onlangs en door toevallige omstandigheden werd ik erop attent gemaakt. Maar toen ik met deze lectuur kennis maakte, besefte ik terstond wat ik gemist had. Gelukkig is het echter nog niet te laat om van de bevindingen en overwegingen van de PPR-politicus kennis te nemen.

Onze radicale reiziger bezocht China in 1973 en hij heeft er met volle teugen genoten, niet alleen van de acrobatische shows in Peking maar ook en vooral van de aanblik van de gelukkige mensen die hij overal om zich heen zag. De Chinezen glimlachten de hele dag en waren vrolijk en opgeruimd. “Overal zien de mensen er gezond uit en gaan zij goed gekleed (...) een fenomenale prestatie”, noteert hij. Even verder vinden wij een nog scherpere observatie: “Overal valt op de belangeloosheid waarmee de mensen werken en hun gerichtheid op de maatschappij als geheel.” Deze gemeenschapszin is heel begrijpelijk want er staat ook wat tegenover, namelijk dit: “aan de andere kant beschouwt de gemeenschap het als een van haar grondtaken te verzekeren dat ieder individu voldoende te eten heeft, genoeg kleding kan kopen, een huis heeft en vrije toegang tot onderwijs en gezondheidszorg.” Geen wonder dus, “dat de meeste Chinezen tevreden zijn met hun maatschappij (...) In vele communistische landen krijg je de indruk dat 'het volk aan de macht' een kreet is, waarmee de leiders zich zelf in het zadel willen houden. Maar in China is dit anders.”

Er zijn echter helaas ook minder goede dingen te melden. Zo blijft het verdrietig “dat de christelijke kerk in China het erg moeilijk heeft”. Maar dit doet niets af aan de conclusie dat hier iets heel bijzonders tot stand is gebracht. Alle onvergetelijke ervaringen worden samengevat in één onvergetelijke zin: “China is eigenlijk een groot moreel herbewapend land waarin de absolute eerlijkheid, reinheid, onzelfzuchtigheid en liefde regeren.”

Het reisverslag biedt overigens niet alleen scherpe observaties, maar ook knappe politieke analyses, bijvoorbeeld van het Russisch-Chinese conflict. De Russen waren, zoals bekend, plotseling uit China vertrokken en hadden het land in moeilijkheden achtergelaten. De Chinezen waren hier begrijpelijk genoeg verbitterd over. “Het Russische gedrag druist in tegen de communistische ethiek en de Chinezen zullen dat niet licht vergeten. Ethiek neemt in China nu eenmaal een grote plaats in.” De eerste stap zal dan ook van de Russen moeten komen. Wij Nederlanders kunnen alleen maar afwachten. Aan “een oplossing van het conflict tussen China en Sovjet-Unie kan ons land weinig doen, helaas”, aldus de van realiteitszin getuigende conclusie.

Gelukkig waren er nog andere landen die misschien wel wat zouden kunnen doen, zoals Roemenië. Volgens de auteur oefende dit land waarschijnlijk achter de schermen al druk uit op Rusland. Begrijpelijkerwijs heeft de PPR-leider dat land dan ook kort daarna eveneens bezocht. Hij reisde ditmaal samen met niemand minder dan de buitenlandspecialist van de PPR-fractie. Zij werden goed ontvangen, zoals uit het verslag van deze reis blijkt. De secretaris-generaal van de Roemeense Communistische Partij, “Kameraad Ceausescu, ontving ons dan ook in het kader van de betrekkingen RCP-PPR. Heel indrukwekkend!” De beide Nederlandse staatslieden kregen veel aandacht en de Oosteuropese leiders hadden alle tijd voor hen: “In Roemenië was het hoogtepunt een openhartig gesprek met president Ceausescu.” In andere landen moesten zij wel eens met een iets lager niveau genoegen nemen, maar ook daar was hartelijkheid troef.

Geen wonder dat de beide reizigers optimistisch huiswaarts keerden, vol verse indrukken en nieuwe ideeën over door Nederland te ondernemen acties. Zo meenden zij dat een gezamenlijk Nederlands-Roemeens initiatief de impasse op de veiligheidsconferentie in Genève zou kunnen doorbreken en de veiligheid van Europa sterk bevorderen. Jammer was wel dat Nederland een zo dociele positie ten opzichte van Amerika innam. Wij werden immers 'niet zonder reden' de 'Bulgaren van de NAVO' genoemd.

Toch heeft het geloof in Kameraad Ceausescu op een gegeven moment opgehouden te bestaan. Dit blijkt uit een ander geschrift van dezelfde auteur, ditmaal niet zomaar simpele reisbrieven, maar niets meer of minder dan een politiek-filosofische verhandeling over Het smalle pad tussen macht en moraal. In dit werk wordt uit een heel ander vaatje getapt. Daar lezen wij namelijk: “De grootste perversie van de Atheense democratie komt van Lenin, Stalin en Hitler en van de laatste aller dictators, de verklaarde krankzinnige Ceausescu, Conducador van Roemenië. Maar dit geschrift is dan ook uit 1989 en toen was er heel wat veranderd, in Europa, in de wereld en zelfs in Nederland.

Maar niet bij de PPR. Die partij, nu GroenLinks geheten, ging samen met de communisten en koos dan ook niet één maar twee lijsttrekkers, een die schrijvers wilde verbannen en een die boeken wil verbieden. Dat zal sommigen wellicht verbazen maar insiders niet, zoals blijkt uit het snedige commentaar van Bas de Gaay Fortman op deze gebeurtenissen: “Als je, zoals ik, in GroenLinks zit, moet je ermee leren leven dat er af en toe heel erg domme dingen worden gezegd.” Zegt U dat wel.