Kabinet lost ereschuld in met uitkeringen aan zieke mijnwerkers

Een van de laatste vuiltjes die de Limburgse kolenindustrie twintig jaar na de sluiting van de laatste mijn naliet, wordt voor een belangrijk deel weggewerkt. Tussen de 1.500 en 1.700 lijders aan de longziekte silicose krijgen binnenkort een netto-uitkering van 20.000 gulden. Daarmee is de ereschuld, waarover minister-president Lubbers het op 17 december 1990 had, grotendeels ingelost. Lubbers sprak toen in de imitatiekolenmijn in Valkenburg met morrende en vooral door ademnood piepende en rochelende silicosepatiënten. Dat was toen feestelijk werd herdacht dat 25 jaar eerder de toenmalige minister van economische zaken J. den Uyl in de schouwburg van Heerlen het begin van het mijnsluitingsproces bekend had gemaakt.

Het kabinet heeft ook ruimhartiger gehandeld dan aanvankelijk de bedoeling was. Want de inmiddels afgetreden staatssecretaris van sociale zaken E. ter Veld had in 1992 slechts 4,6 miljoen gulden in gedachten voor een groep van 180 mannen. Nu heeft haar opvolger Wallage tussen de 25 en 30 miljoen gulden ter beschikking gesteld en zullen ook weduwen onder bepaalde voorwaarden kunnen delen in de schadeloosstelling.

Bovendien bestaat nog de mogelijkheid voor oud-mijnwerkers die niet vallen onder het gisteren door het bestuur van de Stichting silicose oud-mijnwerkers aan de premier overhandigde reglement, om alsnog een graantje mee te pikken. De provincie Limburg en zeven Limburgse gemeenten hebben daarvoor al 1,25 miljoen gulden op tafel gelegd. Gehoopt wordt dat daar nog eens 750.000 gulden bijkomt van het pensioenfonds van de mijnwerkers, het AMF (Algemeen Mijnwerkers Fonds), maar dat beraadt zich daar nog over.

Het gaat om oud-mijnwerkers die door de omzetting op 1 juli 1967 van de Ongevallenwet in de Wet Arbeidsongeschiktheid tussen wal en schip terechtkwamen. Wilden ze alsnog voor een gehele of gedeeltelijke WAO-uitkering in aanmerking komen - silicose werd aangemerkt als een ongeval en niet als een ziekte - dan moesten ze bewijzen dat ze al vóór 1 juli 1967 aan de ziekte hadden geleden. Bovendien moesten ze ook nog eens aantonen dat ze daardoor voor minstens dertig procent arbeidsongeschikt waren geraakt. Dat nu was een schier onmogelijke opgave, omdat de artsen maar moeilijk het verband konden aantonen tussen de longziekte en het werk in de mijnen en omdat veel mijnmaatschappijen de medische dossiers al hadden vernietigd of ze geheim hielden.

De Stichting silicose oud-mijnwerkers onder voorzitterschap van de Heerlense burgemeester Pleumeekers heeft met het treffen van de regeling mooi werk verricht. Aanvankelijk echter heeft ze het probleem schromelijk onderschat door zelf met het voorstel te komen om de groep uitkeringsgerechtigden te beperken tot 180 man. Dit op basis van een steekproef. Maar het siert haar dat ze dat nu ruiterlijk erkent. De stichting werd in feite tot de orde geroepen door het Aktiekomitee ereschuld oud-mijnwerkers. Dat comité kwam in maart 1993 in het geweer, plaatste oproepen in de kranten en verzamelde uiteindelijk 3900 gegadigden voor de eenmalige uitkering. Dat noopte de Stichting silicose oud-mijnwerkers om niet alleen de groep maar ook de voorwaarden voor de uitkering aanzienlijk te verruimen en om daarover taaie gesprekken met het ministerie van sociale zaken aan te gaan.

Volgens het gisteren aan Lubbers overhandigde reglement komen nu in aanmerking oud-mijnwerkers die minimaal 5 jaar ondergronds in een Nederlandse mijn hebben gewerkt, die daardoor silicose opliepen en die tengevolge daarvan voor minimaal 30 procent in hun functioneren beperkt zijn ten opzichte van mensen die niet aan de inwerking van mijnstof zijn blootgesteld. Bovendien krijgen ook weduwen van mijnwerkers die na 16 december 1992 overleden - de datum waarop staatssecretaris Ter Veld de regeling voor de 180 bekend maakte - de uitkering. Belangrijk is bovendien dat mijnwerkers die nu buiten de boot vallen, alsnog de mogelijkheid krijgen daartegen in beroep te gaan. Het Aktiekomitee ereschuld oud-mijnwerkers is niet ontevreden, maar wil nog altijd dat ook weduwen van vóór 16 december 1992 overleden mijnwerkers een uitkering krijgen. Voorzitter mr. J. de Wit uit Heerlen zegt: “We kunnen niettemin spreken van een gigantisch succes.”

Silicose is een longziekte die veroorzaakt wordt door het inademen van steen- en/of kolenstof. De stofdeeltjes zetten zich vast op het longweefsel waardoor de werking van de longen wordt beperkt; ze verstenen als het ware. Mensen die aan silicose lijden moeten zich vaak behelpen met een zuurstoffles om nog een beetje lucht te kunnen krijgen. De ziekte is niet te genezen, mensen die er aan lijden worden meestal niet oud. Silicoselijders raken in een geïsoleerde situatie, omdat ze nergens heen kunnen waar gerookt wordt of waar het warm is.

De voornaamste grief van de mijnwerkers die meenden aanspraak te maken op een uitkering, was dat de medische keuringen op grond waarvan ze destijds werden afgewezen niet goed waren verricht. Daarom, zo zegt de Stichting silicose oud-mijnwerkers, “is daarmee nu wel uiterst zorgvuldig omgegaan”. Alle aanvragen zijn uniform beoordeeld door de afdeling longziekten van het Akademisch Ziekenhuis in Maastricht.

Het belangrijkste van de uitkering vinden de mijnwerkers de morele genoegdoening. ,Het is mooi”, zei een aan silicose lijdende mijnwerker die ik vorig jaar in Kerkrade sprak, “dat ze eindelijk eens inzien dat er zoveel gezinnen zijn die dag en nacht huilen van ellende, maar je gezondheid koop je er natuurlijk niet mee terug.”

    • Max Paumen