'Ik bid niet en mediteer niet, maar heb een piano op het lab staan'

Stress hielp de mens vanouds vechten of vluchten. Nu we vaker onder psychologische dan fysieke spanning staan, verhoogt stress de kans op hartziekten, kanker, diabetes, depressie, maagzweren en infectieziekten. De Amerikaan Sapolsky heeft daaraan toegevoegd: geheugenverlies. Vorige week gaf hij de De Wied-lezing.

Sapolsky schreef een populair-wetenschappelijk boek dat begin dit jaar uitkwam: Robert M. Sapolsky. Why zebras don't get ulcers. A guide to stress, stress-related diseases, and coping. W.H. Freeman, New York, 1994. ISBN 0 7167 2391 3. ƒ 64,85.

Robert Sapolsky is hoogleraar neurofysiologie aan de Stanford University. Hij combineert laboratoriumonderzoek naar de veroudering van hersencellen onder invloed van stresshormonen, met veldobservaties naar stress bij bavianen in het Afrikaanse Serengetipark. Het labwerk, zegt hij, maakt hem vaak neerslachtig. Het laat zien wat er fout gaat met onze lichaamscellen als stress niet goed wordt verwerkt. Het optimistische werk gebeurt op de savanne in Kenya en Tanzania. Daar zit Sapolsky drie maanden per jaar met zijn neus op de natuurlijke strijd om de hiërarchie in groepen apen. Ondanks de ontberingen die de dieren doormaken ziet hij daar individuen die stress goed weten te hanteren.

Sapolsky: “Als ik een stressmanagementcursus voor bavianen zou geven zou ik ze de volgende vijf tips geven om in goede conditie te blijven binnen hun sociale groep. De eerste is: leer het verschil tussen een bedreigende en een neutrale situatie. Een baviaan die dat verschil niet goed kent reageert steeds even geagiteerd op zijn grootste vijand, of die hem nu vanaf een halve meter afstand uitdaagt, of vijftig meter verderop gaat liggen slapen. Het is zo'n dier niet duidelijk wanneer stress nuttig is. In wezen voldoet hij daarmee aan de tegenwoordige, in de mensenwereld gebruikelijke definitie voor zogenaamde type A persoonlijkheden.

“De volgende tip is om zelf aan te vallen als die rivaal op een halve meter afstand gaat dreigen. Een baviaan die meestal zelf begint te vechten heeft lagere stresshormoonspiegels dan een dier dat afwacht. De volgende raad is om te leren onderscheiden of je een gevecht gewonnen of verloren hebt. Ten vierde, als je verloren hebt, val een lager geplaatste aan, of zoek een schouder om uit te huilen. Mannetjes die het alleen verwerken hebben hogere stresshormoongehaltes.

“De vijfde raadgeving is daar onafhankelijk van: mannebavianen die veel vrienden hebben staan minder bloot aan stress. Ook bij mensen is het hebben van sociale contacten een sterke gezondheidsvariabele. In epidemiologische studies is hij net zo sterk als roken, drinken en cholesterolgehalten.”

U houdt ervan om situaties van bavianen naar mensen over te plaatsen?

“Zoals sommige apen stress kunnen hanteren, zo kunnen sommigen van ons dat ook. Daar ben ik van overtuigd. De hypothese waar we zestien jaar geleden mee naar Afrika gingen was dat individueel stressmanagement bij mannetjesapen bepaalt welke sociale positie ze in hun groep veroveren en handhaven.”

U denkt dat sociale rangorde bij mensen net zo belangrijk is als bij apen?

“Het is een groot probleem om het idee van sociale rangorde naar de menselijke samenleving over te plaatsen. In experimentele situaties kun je die creëren. Maar je moet je afvragen wat een experiment met twee 20-jarige studenten te maken heeft met een 60-jarige kantoorman die een hartaanval krijgt, en met zijn collega die onder dezelfde omstandigheden gezond blijft. Je wilt weten hoe de een onder stress lijdt en de ander ermee om weet te gaan.”

Zijn sociale-rangorde-onderzoeken in een kantoor dan onmogelijk?

“Uit kantoren weten we alleen dat het middenkader het meest vatbaar is voor stressgerelateerde ziekten. Onderzoeken binnen organisaties zijn vooral moeilijk omdat mensen een zwak besef van rangorde hebben. Binnen een grote onderneming is duidelijk dat een topmanager hoger in de rangorde staat dan de man in de postkamer, maar de man in de postkamer is misschien net aanvoerder van zijn basketbalteam geworden en loopt over van zelfvertrouwen, terwijl onze topmanager thuis problemen heeft. Overigens vonden we bij onze bavianen ook maar een zwak verband tussen rangorde en stressbestendigheid. Zo kwam het idee op om bij onze apen niet alleen naar sociale rangorde in verband met fysiologie en ziekten te kijken, maar ook naar persoonlijkheidskenmerken.

“Die blijken een interessantere voorspeller. De fysiologie die duidt op goed omgaan met stress zagen we alleen bij hooggeplaatste mannetjes met bepaalde persoonlijkheidskenmerken. Uit die kenmerken heb ik mijn vijf tips voor stressmanagement afgeleid. Je kunt nummer 1 op de hele savanne zijn, maar als je persoonlijkheid niet mee zit, kun je net zo onder stress lijden als nummer 20 in de groep.”

Krijgen de dieren die niet goed met stress omgaan eerder ziektes en gaan ze eerder dood?

“Op het punt van ziekte en dood zijn er grote verschillen tussen baviaan en mens. Serengeti kent geen bavianen met ziekten waar wij ons druk over maken, zoals Alzheimer of kanker. De dieren krijgen vaak een verwonding die wel of niet dodelijk ontsteekt en als ze verzwakt rondzwerven worden ze door hyena's gedood. We zien dat de dieren met de goede persoonlijkheidskenmerken tot de overlevenden in hun cohort behoren, vooral omdat ze minder vaak gewond raken.”

In het labwerk onderzoekt u schade onder invloed van stress aan zenuwcellen in de hippocampus, een onderdeel van de hersenen waar een deel van het leervermogen zetelt. Heeft u ooit de link tussen veld- en labwerk gelegd en de hippocampus van een van uw bekende en gestorven bavianen onderzocht?

“Ik zou wel willen, maar het probleem is dat de hyena's sneller autopsie verrichten dan wij. Bavianen voelen kennelijk hun einde naderen en verdwijnen meestal 's nachts. Ik heb wel een paar gestorven bavianen kunnen onderzoeken die in gevangenschap leefden. In groepen in gevangenschap kunnen dieren onderin de hiërarchie onderworpen worden tot de dood er op volgt. In zulke dieren vind je hippocampusschade.”

U toonde tien jaar geleden aan dat muizen die onder stress leefden veel minder intacte neuronen in hun hippocampus hadden dan muizen die minder onder spanning hadden geleefd. De gestresste dieren hadden slechtere geheugenfuncties. Waarom onderzocht u dat?

“In anatomische rapporten uit de jaren veertig is al eens opgemerkt dat patiënten met Cushing syndroom - mensen met meestal een bijnierschorstumor waardoor ze veel te veel glucocorticosteroïden produceren - aangetaste hippocampussen hadden. Dat is tot in de jaren zestig onopgemerkt gebleven. In 1981 werd aangetoond dat glucocorticosteroïden de verouderingssnelheid van de hippocampus verhogen. Toen begon ik mijn onderzoek. Ik moest de proefdieren lang aan glucocorticosteroïden blootstellen en uiteindelijk receptoren en neuronen in hun hippocampusweefsel tellen. Twee jaar later wist ik dat er neuronen afsterven.”

En daarna is aangetoond dat bij oude mensen de glucocorticosteroïdegehalten blijvend zijn verhoogd.

“Alleen bij echt oude mensen. Wij zagen dat bij muizen en ratten, toen bij apen. Aanvankelijk dachten gerontologen dat oude mensen geen verhoogde glucocorticosteroïdegehaltes krijgen, maar als je bij 90-jarigen kijkt zijn de gehaltes net zoals bij oude dieren consequent verhoogd.”

Is er iets bekend van mensen die jong overlijden aan ziekten die met stress gerelateerd zijn?

“Nee, die groep is bijzonder heterogeen en je kunt moeilijk vaststellen hoeveel last iemand van stress heeft gehad. Stressgerelateerde ziekten worden niet alleen door stress veroorzaakt. Stress verhoogt alleen de kans dat je ze krijgt. Bovendien zou je moeten weten of de overledene stress succesvol wist te hanteren. Ik ben wel geïnteresseerd in subgroepen, in mensen die depressief zijn en de mensen die hoge concentraties glucocorticosteroïden als medicijn krijgen voorgeschreven. Mensen met transplantatie-organen, met auto-immuunziekten, astma en reuma en mensen die een infectie doormaken die zinloos is voor de afweer, zoals mensen met ontstoken pezen.”

Bij welke medicijndosis is hersenschade meetbaar?

“Transplantatiepatiënten worden vaak jarenlang op 60 mg per dag prednison gezet - dat is een glucocorticosteroïde. Bij vrijwilligers is bij zo'n dosis al na drie dagen gebruik een achteruitgang in leervermogen gezien. Wat ze vroeger hadden geleerd konden ze prima reproduceren, maar nieuwe gegevens leerden ze moeilijker en ze konden er niet tegen als spelregels werden veranderd. Ze werden inflexibel. Vorig jaar zijn er in de VS 16 miljoen recepten voor glucocorticosteroïden uitgeschreven. Veelal korte kuren met hoge doses voor onbelangrijke zaken als gezwollen knieën. Grotendeels overbodig, volgens mij. Dat ligt anders voor de mensen met auto-immuunziekten en transplantatieorganen. Zij hebben eigenlijk geen keus. Iemand met een auto-immuunziekte die op mijn lab werkte zei: 'Het interesseert me voorlopig niet of mijn geheugen is aangetast als ik zestig ben, ik wil dat eerst worden.'

“Wat depressieve patiënten betreft is lang over het hoofd gezien dat glucocorticosteroïden een direct effect op depressie hebben. Mensen met het syndroom van Cushing krijgen alle mogelijke stressgerelateerde ziekten en ze worden ook depressief. Iedereen wist dat, maar zei 'ik zou ook depressief worden als ik net zoals Cushingpatiënten maagzweren had, hoge bloeddruk en een ineengestort afweersysteem.' Net zo werd de depressie verklaard van mensen die door hun artsen glucocorticosteroïden krijgen voorgeschreven. Men weet het aan de ziekte niet aan de glucocorticosteroïden.

“De afgelopen drie jaar hebben vier onderzoeksgroepen - en niet de minste - aangetoond dat je de depressie soms opheft als je de glucocorticosteroïdeproduktie blokkeert met metyrapon. Metyrapon wordt al 30 jaar door endocrinologen gebruikt als diagnosticum om de functie van de bijnierschors te meten. Het is goedgekeurd, het is veilig, maar niemand heeft het ooit tegen depressie gebruikt. Dit heeft ons op het spoor gezet van een hele nieuwe klasse anti-depressieve middelen. Het zal niet Prozac vervangen, maar het werpt wel een heel nieuw licht op depressie als stressgeïnduceerde ziekte.”

Stress lijkt een onplezierig relict uit de evolutie, uit de tijd dat we nog daadwerkelijk vluchtten en vochten. Kun we niet beter allemaal de adrenaline en glucocorticosteroïden blokkeren? Of heeft stress ook nut?

“Stress voorkomt dat we door leeuwen worden opgegeten en stelt ons in staat om hollend de bus te halen. Mensen die de ziekte van Addison hebben, gevolg van onvoldoende werking van de bijnierschors, kunnen doodvallen als ze een sprintje trekken. In antwoord op psychologische stress is de stressreactie echter meestal misplaatst.”

Denkt u dat het goed is om hele oude mensen anti-glucocorticosteroïden te geven, om hersenschade en dementie te voorkomen?

“Ik ben daar niet voor. Glucocorticosteroïden heb je niet alleen nodig om naar de bus te hollen, maar ook om 's morgens uit bed te komen, een douche te nemen, de trap af te lopen en ontbijt voor jezelf klaar te maken. Je zou het natuurlijk geavanceerder kunnen doen en alleen een kortwerkend middel nemen als je in een rustige omgeving zit. Maar zelfs voor mij als fysioloog is duidelijk dat de psychologische methode veel krachtiger is. Onder mijn bavianen zie ik dat er dieren zijn die er erg goed in zijn om stressvolle omstandigheden niet als stress te ondervinden. Dat is de manier waarop we de gevolgen van stress het best kunnen vermijden.”

En zijn alle mensen met hoge glucocorticosteroïden-gehalten daartoe in staat?

“Stressmanagement is tamelijk effectief, ondanks het feit dat veel persoonlijkheidskenmerken al in de vroege jeugd ontstaan. Belangrijk is om controle, uitlaatkleppen en voorspellende informatie te hebben, het vermogen om de goede strijd aan te gaan en om de juiste wapens te kiezen. De meeste therapieën waarin dat wordt onderwezen werken heel goed, of ze nu biofeedback, meditatie- of relaxatietherapie heten. Alleen moeten mensen soms uitzoeken wat bij hen werkt. Ook dagelijks stressmanagement werkt. De meeste van die dagelijkse therapieën doe je in 20 minuten, het kan een oefening zijn, of meditatie, of een wandeling, of cello spelen. Een tijdje uit het raam kijken werkt maar bij weinigen.”

“Mijn persoonlijk stressmanagement behelst een dagelijkse portie lichamelijke inspanning en pianospelen. Ik bid niet en mediteer niet, maar heb een piano op mijn lab staan. Die doet daar goed werk. De helft van mijn labmedewerkers speelt nu piano. Op het eerste gezicht gaat dat ten koste van het werk, zo is dat altijd met preventieve maatregelen. We slagen er wel in om binnen een drukke dag onze lunches te plannen, maar het stressmanagement laten we makkelijk een dagje schieten. Maar uiteindelijk zijn we zelf het resultaat van al die preventieve acties.”

    • Wim Köhler