Het harde leven van een Duitse minister van defensie

BONN, 28 APRIL. Het is de omgekeerde wereld. Een nog tamelijk verse minister van defensie is bereid tot bezuinigingen, althans een reeks hem opgelegde bezuinigingen te aanvaarden en in een nieuwe planning te verwerken. Zijn hoogste militair is het met hem eens, zegt dat openlijk en helpt bij die nieuwe planning. Zijn geestverwante regeringschef staat er ook achter, laat dat ook wel merken, maar kan hem om coalitie-politieke redenen toch niet de volledige rugdekking geven die hij nodig zou hebben. De minister krijgt allerlei klappen op het hoofd, maar kan aan zijn persoonlijke verdediging onder de gegeven omstandigheden maar weinig doen.

Een van de erkend moeilijkste ministeries in de Duitse politiek is dat van defensie. Even buiten het centrum van Bonn, aan de Hardthöhe, zijn in de Bondsrepubliek al heel wat politieke carrières beproefd in de spanning tussen opdracht en beschikbare middelen. Strauss (CSU), Leber, Apel en Schmidt (allen SPD), Blank, Von Hassel, Schröder en Stoltenberg (allen CDU) kunnen, of hadden kunnen, bevestigen hoe zwaar het bestaan daar is. En hoe zij moesten vechten om hun departement en zichzelf niet te laten bezwijken.

De huidige Duitse minister van defensie is de 51-jarige Hamburgse CDU'er Volker Rühe, ooit leraar Duits en Engels, gewezen expert op het terrein van buitenlandse politiek en defensie in de Bondsdag en aansluitend, van najaar '89 tot zijn benoeming op Defensie in '92, als secretaris-generaal van de CDU, Helmut Kohls harde anti-linkse slippendrager (Motto toen: Vrijheid of socialisme). Hij doet het goed op Defensie - en misschien is dat zelfs deel van zijn probleem. Want hij krijgt tegenwoordig ook wel eens een zacht applaus van de SPD.

Rühe is ambitieus. Hij zou liever op Buitenlandse Zaken zitten en houdt dat niet of nauwelijks verborgen. Hij zou misschien ooit nog wel eens kanselier willen worden, maar houdt dat wèl zo goed mogelijk verborgen.

Dit verkiezingsjaar zit Rühe wel in een zeer moeilijk parket. Hij moet, nu de vijand in het Oosten een politieke patiënt geworden is, bezuinigen op zijn budget. Hij doet dat ook - zo'n vijf à zes miljard mark per jaar vergeleken met 1990 - en moest en passant de vroegere Oost- en Westduitse legers integreren en in omvang met zo'n 200.000 man beperken, hier legerplaatsen sluiten, daar nieuwe openen.

Intussen moet Rühe - na nieuwe bezuinigingen aangeland op een budget van 47,5 miljard, dat de komende drie jaar in het beste geval op hetzelfde peil blijft - zien dat hij de Bundeswehr klaarmaakt voor nieuwe taken in de sector internationaal crisismanagement. Juist de huidige coalitie in Bonn vindt dat Duitsland dat moet doen als aspirant-lid van de Veiligheidsraad en als lid van de Europese Unie volgens 'Maastricht'.

Dus heeft Rühe een paar weken geleden, na publikatie van een inventariserend witboek, het idee gelanceerd de Bundeswehr van een theoretische 370.000 man feitelijk terug te brengen tot 340.000. En daarbinnen dan de grootste groep voor verdediging te bestemmen, bij een diensttijdverkorting tot tien maanden, en het resterende deel op te leiden en (nieuw) te bewapenen voor internationale crisisbeheersing, bij een diensttijd van minimaal 12 maanden.

Van 47,5 miljard is geen leger van 370.000 man te onderhouden, zeker niet als nu al veel te weinig wordt geoefend en geïnvesteerd (nog net 20 procent), terwijl iedereen het erover eens is dat nieuwe kostbare taken wachten, zeggen Rühe en Klaus Neumann, als inspecteur-generaal zijn hoogste militair. Dus moet de feitelijke sterkte beperkt worden, met behoud van een optie naar 370.000 man, en dienen legerplaatsen en kazernes waar mogelijk te worden gesloten.

Maar het is een verkiezingsjaar en dan valt de sluiting van kazernes in veel kiesdistricten slecht. Dat het verkiezingsjaar is, blijkt ook uit het feit dat de CDU/

CSU en vice-kanselier Klaus Kinkel (minister van buitenlandse zaken en voorzitter van de FDP) zich erover hebben beklaagd dat Rühe binnen de regeringscoalitie onvoldoene vooroverleg over zijn nadere planning heeft gevoerd. Dat heeft tot irritaties binnen de coalitie geleid, waarbij deze Kinkel, die tegelijk zegt dat hij het op hoofdzaken met Rühe eens is, een wonderlijke rol speelt.

Begin deze week heeft dat coalitie-overleg alsnog plaatsgehad. Zonder echt succes overigens, want er is nu een coalitiewerkgroep gevormd die alles moet doorrekenen en als officieuze nevenverplichting lijkt te hebben: electorale narigheid doorschuiven tot na de Bondsdagverkiezingen van 16 oktober.

Kinkel heeft dezer dagen een strategiediscussie in zijn partij beeindigd door een keuze voor voortgezette samenwerking met Kohls CDU/CSU door te drukken. Hij zit ingeklemd tussen de schaduw van zijn voorganger Hans-Dietrich Genscher en de linkervleugel van zijn partij, die vindt dat die voorkeursuitspraak voor Kohl c.s. wel erg vroeg kwam en bovendien zonder tegenprestaties gegeven is. Volgende maand (23 mei) wacht Kinkel weer een krachtproef, dan moet de nieuwe bondspresident worden gekozen, wat praktisch kan gaan betekenen dat Kinkel de FDP in de derde en beslissende stemming in de Bundesversammlung achter CDU-kandidaat Roman Herzog moet zien te krijgen. Dat gaat weer pijn doen.

Bijna vier jaar geleden, op 14 juli '90, hadden Kohl en de grote FDP'er Genscher, die toen nog op Buitenlandse Zaken zat, een grote ruzie in het vliegtuig naar Moskou, waar zij de sleutels voor de Duitse eenwording gingen afhalen bij Sovjet-president Michail Gorbatsjov. Die ruzie, beschreven in een boek van Kohls vroegere buitenland-adviseur Horst Teltschik, ging over de vraag op welke toekomstige sterkte het Duitse leger in onderhandelingen met Gorbatsjov moest worden bepaald. Namelijk: op 400.000 (zoals Kohl wilde) of liever op maximaal 350.000 (zoals Genscher wilde en zoals Rühe nu zo ongeveer wil). Gorbatsjov en Kohl spraken uiteindelijk op 15 juli in een bergdorp in de Kaukasus voor het leger van het verenigde Duitsland een plafond af van 370.000 soldaten, die inmiddels echter niet meer binnen Bonns defensiebudget passen.

Nu betaalt Rühe, op een toneel waar de kanselier hem slechts een vriendelijke hoofdknik kan of wil geven en waar Kinkel en Rühe het eigenlijk eens zijn, een prijs voor Kinkels problemen binnen de FDP en Kohls coalitieprioriteit. Het leven op de Hardthöhe is hard, Rühe moet dat als zoveelste politicus merken. Hij mag hopen dat Kohl hem voor betoond begrip en geduld een voldoende geeft, maar dat blijkt vermoedelijk pas na 16 oktober. Legervorming gaat moeizaam, zeker als de kas leeg is en er verkiezingen in aantocht zijn.

Er is nog een aanwijzing dat Brecht stille hinten van zijn schrijfsters op prijs stelde. Ik kan anders niet verklaren waarom hij, ondanks heftige kritiek van zijn producent, zo hardnekkig vasthield aan het slot van Die Dreigroschenoper. Dat einde is namelijk een slappe frappe, die alleen betekenis krijgt wanneer je The life and lies kent.

    • J.M. Bik