Het geheim achter de vitrage

Vitrages, het symbool voor burgerdeugd, verbergen alle plezierige en verdrietige gebeurtenissen in huis. En ze laten de spieders onbespied. Twee decennia waren glasgordijnen not done, maar nu knus weer mag, zijn ook de 'transparanten' terug.

Op een stralende ochtend in april vertelt Betty haar echtgenoot Hugo dat ze het niet langer uithoudt in de benauwende knusheid van hun woonkern. Ze zitten in de tuin van hun doorzonwoning en roeren in hun capuccino. Hugo haalt zijn schouders op. “Daar gaan we weer”, zegt hij. Betty kijkt hem van opzij aan. “Als wìj hier niet gauw weggaan”, sist ze hem toe, “dan ga ìk!” Bij de buren beweegt de vitrage vluchtig. De wind, denkt Betty. De volgende ochtend vraagt de buurvrouw haar op de man af wanneer hun huis vrijkomt. Haar dochter gaat namelijk binnenkort trouwen.

Na zijn wekelijkse bezoek aan de supermarkt draait Barend zijn rooie Alfa achteruit de parkeerplaats af. Tegen een betonnen paaltje. Hij vloekt bij het zien van zijn vernielde achterbumper en knijpt dan zijn ogen dicht. In de belendende flatjes gaat voorzichtig de vitrage opzij. Nog geen drie minuten later staat er een verontwaardigde politieagent naast het verbrokkelde paaltje. “Maar goed dat er hier nog oplettende burgers wonen”, grijnst hij tijdens het uitschrijven van het proces verbaal.

Vitrage staat symbool voor burgerdeugd en schone schijn. Nietszeggend en conventioneel, als een fantasieloze voortzetting van de toch al saaie voorgevel. Een passant kan slechts vermoeden wat er schuil gaat achter de strakke plooien en die ene sanseveria. Er valt niets te zien en niets te beoordelen, precies zoals de bewoner dat heeft bedoeld. De huiselijke idylle wordt nauwlettend in stand gehouden, de zedelijkheid geëtaleerd.

Vitrages bewaren een geheim. Ze verbergen letterlijk voor de buitenwereld datgene wat tot het huis behoort. Verdriet, onschuldige familiegewoontes en intimiteiten die niemand wat aangaan. Dagdromen en perversies. De streng bewaakte confidenties van het privé-leven.

Vitrages hebben ook iets achterbaks. Je kunt achter de façade onbespied naar buiten gapen. Naar een vechtpartijtje of naar die man van twee blokken verderop die tien keer per dag zijn teckel uitlaat. Achter de glasgordijnen kun je uit pure verveling een optisch spel spelen. Je blijft buitenstaander en als je onverhoeds getuige wordt van een drama kun je optreden door naar buiten te lopen of vinnig tegen het raam te tikken. Voel je niets voor een rol in het straattoneel, dan heb je gewoon niets gezien.

Het fenomeen vitragevoyeurisme bestaat nog niet zo lang. Tot het einde van de vorige eeuw hield de gegoede burgerij de gordijnen angstvallig gesloten. Boudoirs en alkoven waren doorgaans donker. Niet alleen vanwege de ziekelijke bezorgdheid voor tocht, maar vooral omdat licht de kostbare brokaten en kamgaren weefsels aantastte.

In 1896 kwam daar verandering in. De Maatschappij tot Nut van het Algemeen verrichtte een reeks onderzoeken naar het verband tussen ziekten als cholera en tbc en de kwaliteit van de lucht en het drinkwater. Nauwe stegen werden afgebroken, straten verbreed en van bochten ontdaan. Wind en licht kregen vrij baan. Zeker in 1901 toen de Woningwet hygiënische eisen stelde en licht en lucht magische begrippen werden. Net als volkshuisvesting trouwens.

Arbeiderswoningen, die voor die tijd uit één of twee vertrekken bestonden, kregen slaapkamers en alkoven werden per gemeentelijke verordening verboden. Bij sociale woningbouw hoorde katoenen vitrage die op houten frames werd vastgeprikt en volgens strenge voorschriften moest worden gewassen, omdat het materiaal anders kromp. In hogere kringen hadden de glasgordijnen nog het meeste weg van voile, gemaakt van ragfijn katoen of slubgaren.

De architecten van het Nieuwe Bouwen, onder wie Stam en Rietveld, hadden niet veel op met vitrage en overgordijnen. Het licht moest onbeperkt toegang krijgen tot hun ruimtelijke vertrekken. Rietveld vond het zelfs “erg ongezond om 's winters niets van de kou en 's zomers niets van de warmte te voelen.” Het liefst verbood hij de bewoners van zijn woningblokken vitrage op te hangen. Toen echter bleek dat ze zich na elke douchebeurt alleen maar op handen en voeten door het huis konden bewegen, schaften de bewoners in weerwil van de meester massaal vitrage aan.

Privacy was een groot goed. Standaardgezinnen namen hun intrek in standaardwoningen waar standaardhuisvrouwen waakten over hun Schone Ideaal, het standaardgezin. Ze schaften de eerste synthetische vitrage aan, die volgens de naoorlogse huishoudgids Het ideale huis “het huiselijk leven tegen nieuwsgierige blikken moet beschermen”. Helemaal mieters was de gardisette, een statisch glasgordijn dat perfect in de plooi bleef door een horizontale loodveter in de zoom. Op moralistische toon adviseerde de schrijfster in het hoofdstuk over vitrages “geen rommelige valletjes en dergelijke bovenlangs het raam te nemen, ze zijn immers volkomen nutteloos en zeker niet fraai”.

Met de komst van luxaflex en lamellen, verdween de vitrage in de jaren zeventig en tachtig uit de vrouwenbladen en instructieboeken. Een beetje kantoor had behalve vloerverwarming een strak pvc-lamellensysteem, een beetje kinderkamer een rolgordijn. En als je je geen smalle luxaflex in chique autokleuren kon veroorloven, plakte je toch op ooghoogte zo'n handig stuk ondoorzichtig plastic op je woonkamervenster?

Stap een willekeurige woonwinkel binnen en je struikelt over hypermoderne transparanten, zoals de glasgordijnen tegenwoordig heten. Japanse paneelgordijnen en verticale met figuren bedrukte banen van organza, linnen en voile. Gordijnfabrikant Sahco Hesslein weeft raffia door zijn coupons heen, terwijl producent Kendix de in onmin geraakte Ausbrenner - het dessin is met een loogmiddel uit de stof gebrand - weer in zijn collectie heeft opgenomen. Bewerkte vitrage als substituut voor overgordijnen, die met de komst van thermopeenglas hun isolerende functie hebben verloren.

Volgens een vertegenwoordiger van Kendix gaan de jaren-zestigweefsels ook weer lekker. Vooral de fijne structuren 000 (helder wit) en 001 (ecru). Er is alleen nog weinig belangstelling voor het gehaakte spul en de keukenvitrage van minuscule vierkantjes. Komt nog wel. “Nu consumenten harde vloerbedekking als parket en plavuizen kiezen, combineren ze dat met zachte interieurstoffen als vitrage”, constateert hij. “Ze willen hun huis weer gezellig maken en dan zijn lamellen te kil.”

De Utrechtse stadssocioloog Gerrit Jansen ziet die verknussing ook om zich heen. Zelf heeft hij sinds enige tijd ook weer vitrage hangen op de benedenverdieping van zijn smalle herenhuis. Niet zozeer voor de sfeer, maar vooral voor de veiligheid. Wie zijn welstand etaleert, roept om represailles. “De neiging ontstaat om je met je eigen gezin op te sluiten en je hele hebben en houden aan het oog van de buitenwereld te onttrekken. Als je bedenkt dat er jaarlijks meer dan honderdduizend keer wordt ingebroken in ons land, dan is het niet vreemd dat de mensen zich verschansen. Ze schaffen hang- en sluitwerk aan en verstoppen zich met hun kostbaarheden achter vitrages. Blijft het toch nog gezellig.”

    • Jutta Chorus