Hans Croiset neemt met 'De Perzen' afscheid van het Nationale Toneel; Het verdriet van de verliezer laten zien

Met het oudste werk uit de Europese toneelgeschiedenis neemt Hans Croiset afscheid als artistiek leider van het Nationale Toneel. De grote zaal van het Theater aan het Spui in Den Haag werd verbouwd tot een zanderige arena waarin Aischylos' tragedie alle ruimte krijgt. Vanavond gaat De Perzen in première.

De Perzen is tot en met 4 juni te zien in Theater aan het Spui, Den Haag.

Voor vijfentwintig gulden kan men bij het Nationale Toneel een T-shirt kopen met een opgedrukte tekst waarover menig passant zich het hoofd zal breken: Verblinding lokt glimlachend stervelingen in haar val. “Dat vind ik een mooie zin om op je borst te dragen,” zegt Hans Croiset, terwijl de kok van het theatercafé de eerste gang van een voedzaam Perzen-menu opdient.

De T-shirt-zin, een versregel uit De Perzen, zou tevens het motto van de voorstelling kunnen zijn. In Aischylos' tragedie, acht jaar na de Slag bij Salamis geschreven, waant de Perzische koning Xerxes zich onoverwinnelijk. Verblind door hoogmoed stuurt hij duizenden mannen de oorlog in. Ze worden vernietigd door de Grieken en heel Susa, de hoofdstad van Perzië, rouwt.

Zou een vrolijker afscheidsstuk niet gepaster zijn geweest? Croiset, beslist: “Het ìs geen afscheidsstuk. Ik had het al gekozen voordat ik tot het besluit kwam uit de leiding van het Nationale Toneel te stappen. Wat ik met De Perzen wil? Het verdriet van de verliezer laten zien.”

Actualiserende beelden in de voorstelling ontbreken, maar het zand waar de acteurs in rondkruipen, wekt associaties met Operatie Desert Storm. En het uitvoerige bodebericht roept vragen op over de moderne oorlogsverslaggeverij. Als we tijdens de Golfoorlog meer lijdende Irakezen op tv te zien hadden gekregen, zouden we beslist anders tegen die 'schone oorlog' hebben aangekeken, bedenk ik tijdens een repetitie van De Perzen. Ondanks of juist dankzij het bloedserieuze thema kijkt Croiset met plezier op de afgelopen drie maanden terug. “Het was een feestelijke arbeid.”

Vervelend is alleen dat koorleider Will van Kralingen drie dagen voor de première met hoge koorts rondloopt, dat Hans Hoes, de bode, zijn stem kwijt is en dat Annet Nieuwenhuyzen (Atossa) haar pees gescheurd heeft en nu in de kuil van de tot arena verbouwde zaal geen voet kan verzetten. Willen de goden Croiset als in een echte Griekse tragedie voor zijn menselijke hoogmoed straffen? Voor welke vorm van hoogmoed dan? Dat hij, anders dan andere theatermakers in Nederland, graag de grote zaal van traditionele schouwburgen bespeelt?

“Ik ben het met de verkettering van de schouwburg absoluut niet eens,” verklaart hij ferm. Nu het ene gezelschap na het andere zich in oude gasfabrieken en wat dies meer zij terugtrekt, dreigen de schouwburgen overbodig te worden. Zonde van die prachtige gebouwen, vindt Hans Croiset. “De Koninklijke Schouwburg is een heerlijk theater met een geweldige akoestiek. Waarom zou je je daar van afkeren? Wanneer het lijsttoneel de afgelopen tien jaar geen enkele bijdrage meer zou hebben geleverd aan de ontwikkeling van de Nederlandse theatercultuur, zou ik die weerzin wel begrijpen, maar zo ligt het niet. Want dezelfde theatermakers die de schouwburg zeggen te haten, maken daar heel mooie en vernieuwende voorstellingen. Ach ja, Nederlanders kunnen goed klagen.”

Zelf is hij daar ook bedreven in. Zijn veertigjarige loopbaan aan het toneel ging steeds vergezeld van luidkeels gemor en gemopper. Croiset ergerde zich openlijk aan acteurs, pers en publiek: nu eens betichtte hij hen van behoudzucht, dan weer van een modieus verlangen naar snelle veranderingen. Verkeert het Nederlandse toneel dan in een permanente crisis? “Er is altijd iets mis met het toneel,” bevestigt de 58-jarige theaterman. “Theater is een seismograaf van de samenleving, het is een uitstekende trouble detector. Theater ontstaat op het kruispunt van spanningen. Het is het wezen van theatermakers om met geregeld wisselende standpunten naar buiten te komen en daar niet zo mee te sjoemelen als politici doen.”

Deelde Croiset nogal eens rake of lukrake klappen aan anderen uit, hij zelf moest ook de nodige dreunen incasseren, waarvan de hardste misschien wel de Leonieaffaire was. Na de première van Leonie staat op springen liet de directeur van de Haagse schouwburg zijn kassa dichtplakken met vernietigende recensies over die voorstelling. Het publiek bleef weg en Leonie werd van het repertoire gehaald. Voor Croiset, die zes jaar geleden het Nationale Toneel hielp oprichten, was het toch al niet gemakkelijk om het traditionele Haagse Comedie-publiek vast te houden en tegelijkertijd jonge en vooruitstrevende toneelliefhebbers te lokken. De laatste jaren, met voorstellingen als Bobby Fischer, Moortje en Decadence, lijkt dat het Nationale Toneel aardig te lukken. Dit seizoen bezochten massa's mensen De kleine zielen, geregisseerd door Croisets toekomstige opvolger Ger Thijs, terwijl Koning Lear met Freek de Jonge als nar eveneens een gemêleerd publiek trok. Voor zijn 'veelzijdige, vernieuwende en actuele' aanpak kreeg Hans Croiset de Vondelprijs - niet in Nederland, maar in de Bondsrepubliek, waar men kennelijk meer respect voor de klassiekers heeft.

Als regisseur en acteur zal Croiset voorlopig aan het Nationale Toneel verbonden blijven. Want het theater definitief de rug toekeren, dat kan en wil hij niet. “Een paar weken geleden overviel iemand me met een vraag over geluksmomenten. Toen pas merkte ik hoeveel van die momenten ik bij het toneel heb gehad en hoe weinig ik er maar kon benoemen. Nu weet ik wat ik het mooiste vind: in opgewonden vrede binnen een bepaalde mate van saamhorigheid en onderlinge afhankelijkheid ideeën laten groeien.”