Geduld

In die periode, herinner ik me, was ook een van de pompen kapot die het water uit de bron - of eigenlijk uit het ondergrondse meer - naar de reservoirs op zolder overhevelden. We vervingen haar, maar wilden haar toch laten repareren. Een reservepomp kon nooit kwaad.

De reparateur was van beroep blikslager en brandweerman. Hij verzekerde ons dat de pomp bij hem in goede handen was. We waren toen allang vertrouwd met de gewoonte van reparateurs om nooit nee te zeggen, ook al zagen ze de zaak hopeloos in. Om altijd ja te zeggen, al wisten ze van tevoren dat ze er nooit aan zouden beginnen. Het enige wat ons te doen stond was wachten. Geduld oefenen. Het kon ons niet schelen. Het was maar een pomp voor eventualiteiten.

Het wachten duurde ditmaal erg lang. Een half jaar. Een jaar. Anderhalf jaar. Af en toe zochten we de reparateur op, het spreekwoord indachtig dat het oog van de meester het paard vet maakt. De pomp lag onaangeroerd in zijn werkplaats. Soms stond er een groep dorpelingen aandachtig naar te kijken, maar nooit de reparateur.

Op het laatst stelden we hem voor om gezamenlijk iemand te zoeken die de pomp wel wou repareren. Dat leek hem een lumineus idee. Goed dat een mens nooit haast heeft, zag je hem denken, dat ontneemt hem het voorrecht om op dat soort ideeën te komen.

Binnen twee dagen na de reparatie stond hij bij ons op de stoep voor de betaling. Het was bij elkaar nog een pittig bedrag geworden, er waren tenslotte voor anderhalf jaar opslagkosten bij.

Nu wilde ook ik hem eens laten wachten. Gewoon, omdat ik er zin in had. Het leek me een begrijpelijke gril ook hem eens te laten voelen wat het betekent vele malen achtereen vergeefs aan te kloppen. Misschien zou ik hem wel anderhalf jaar laten terugkomen met zijn gepeperde rekening.

Ik zei, toen hij met de bon zwaaide, vanzelfsprekend niet nee. Ik zei: ja, natuurlijk, binnenkort, komt in orde.

Een dag later was de reparateur die nooit iets repareerde er weer. En de dag daarop. En de dag daarop. Hij zwaaide steeds driftiger met zijn bon. Toen ik hem toevoegde - waarbij ik, naar ik mij verbeeldde, fijntjes glimlachte - dat ik hem alleen maar een wederdienst bewees, keek hij me niet-begrijpend aan. Een week later kwam er een brief van zijn advocaat. Een ultimatum, omdat ik ernstig in gebreke was gebleven.

In die grap had ik weer geen zin.

Ik zocht de reparateur in zijn werkplaats op om hem te betalen. Een groep buurjongens stond te kijken naar een kapotte motorzaag die op de plek lag waar anderhalf jaar onze pomp had gelegen. De reparateur zat op veilige afstand van de onheilsplek uit te rusten en begon te stralen toen ik hem het geld overhandigde. Alles was vergeven en vergeten. Zo'n advocaat, nee, dat betekende niks, dat ging hier altijd zo. Ik vroeg hem waarom hij niet had begrepen dat ik hem alleen voor de grap wilde laten 'hangen', en heel even maar natuurlijk, veel korter dan ik had moeten wachten op mijn pomp.

'Ik kon hem niet maken,' antwoordde hij. 'En jij kunt wel betalen.'

Daar was opnieuw geen speld tussen te krijgen.

    • Gerrit Komrij