Gasunie-belangen

Sinds in 1963 voor de verkoop van het in Groningen ontdekte aardgas de Gasunie werd opgericht, hebben Nederlandse regeringen bij uiteenlopende kwesties het aardgaswapen ingezet. Afgelopen januari lekte een brief uit waarin CDA-minister van landbouw Bukman zijn collega van economische zaken Andriessen voorstelde het aardgas voor de partijpolitiek te gebruiken. Uitstel van verhoging van de aardgasprijs zou tuinders ervan kunnen weerhouden het CDA bij de komende Kamerverkiezingen de rug toe te keren.

Premier Lubbers noemde Bukmans handelwijze 'staatkundig niet juist', hoewel tuinders dankzij de relaties tussen hun beroepsorganisaties en de politiek al decennia lang een speciale aardgasbehandeling ontvangen. Bukmans voorstel verdween in de prullenbak en sindsdien wijzen peilingen erop dat veel tuinders bij de Kamerverkiezingen volgende week niet meer op het CDA zullen stemmen.

De Gasunie verkoopt aardgas tegen verschillende prijzen. Voor kleinverbruikers hanteert de Gasunie andere tarieven dan voor grootverbruikers, grote industrieën. Tuinders zijn geen grootverbruikers, maar ze worden wel als zodanig behandeld. Een gemiddelde tuinder verbruikt een half miljoen kubieke meter gas per jaar. Dat is evenveel als bijvoorbeeld een ziekenhuis. Maar een ziekenhuis krijgt net als alle kleinverbruikers gas tegen het tarief dat de Gasunie is overeengekomen met de distributiebedrijven voor energie, verenigd in EnergieNed. De tuinders worden echter gezamelijk behandeld als grootverbruiker.

De aardgasprijs voor tuinders is het resultaat van onderhandelingen tussen de Gasunie, EnergieNed en het Landbouwschap. De tuinders hebben voor elkaar gekregen dat zij op deze manier als grootverbruikers worden behandeld, dankzij hun hechte organisatie en hun politieke relaties. Dat kan bij de Gasunie, omdat de minister van economische zaken een flinke vinger in de pap heeft bij die onderneming. Het is bovendien een oud gebruik om politieke prijzen voor aardgas te berekenen. Zo kreeg Italië in de jaren zestig - toen de gasexport nog niet door de Gasunie werd verzorgd maar door NAM Gasexport - goedkoop aardgas om zich economisch teweer te stellen tegen de communisten, die in Italië de grootste communistische partij van West-Europa hadden.

De Gasunie is voor precies vijftig procent in handen van de oliemaatschappijen Shell en Esso, de andere helft van de aandelen is eigendom van de Staat. Toch heeft de Staat meer te zeggen bij de Gasunie dan de oliemaatschappijen. Zo is bij de benoeming van een directeur volgens de uit maart 1963 daterende statuten de goedkeuring nodig van de minister van economische zaken. Die goedkeuring gebeurt nadat de vergadering van aandeelhouders (de Staat en de oliemaatschappijen) op voordracht van de raad van commissarissen de directeur hebben benoemd.

Binnen de raad van commissarissen heeft de Staat ook meer gewicht dan de oliemaatschappijen. De Staat benoemt eigen commissarissen, de andere leden van de raad worden door de aandeelhoudersvergadering benoemd. Bovendien bepaalt een samenwerkingsovereenkomst tussen de Staat en de Gasunie uit april 1963 dat aardgasprijzen door de minister van economische zaken goedgekeurd moeten worden.

In de praktijk levert dit geen problemen op. Gasunie en oliemaatschappijen weten tevoren welke prijs de minister van economische zaken wel of niet zal goedkeuren, zodat vermeden kan worden dat de minister een aardgasprijs afkeurt. Er bestaat bovendien bij zowel oliemaatschappijen als de Staat een grote drang om consensus over de aardgasprijzen te bereiken. De belangen van Staat en oliemaatschappijen zijn zo verstrengeld, dat niemand conflicten wenst. De Staat wil bijvoorbeeld dat de oliemaatschappijen kleine aardgasvelden exploiteren voordat de grote gasbel bij het Groningse Slochteren is uitgeput. De oliemaatschappijen willen niet dat de financiële voorwaarden voor de gasexploitatie door een wetswijziging verslechteren.

Grootverbruikers lobbyen veel bij het ministerie van economische zaken voor een lagere aardgasprijs. Maar de ruimte om industrieën met goedkoop gas te helpen is beperkt, omdat de Europese Commissie geen concurrentie vervalsende subsidie via de aardgasprijs aanvaardt. “Onderonsjes zijn minder gemakkelijk dan vroeger”, is het oordeel van een betrokkene. Maar enige ruimte is er nog, omdat prijsvergelijkingen met het buitenland nooit exact zijn. Bovendien kan de Gasunie een industrietak die in moeilijkheden verkeert, goedkoper gas leveren met het argument dat er geen sprake is van bevoordeling, maar van het helpen instandhouden van een afzetmarkt voor gas. De Gasunie heeft dan een zakelijk belang, omdat ondergang van de industrietak het verlies van een afzetmarkt betekent.