Drie jaar lobbyen na sanctie wegens twee nachtkijkers

Hoewel Delft Instruments in Washington wel minstens tien lobbyisten van drie verschillende kantoren heeft ingezet, zijn sommige Amerikaanse exportsancties tegen dat bedrijf nog steeds van kracht. Sinds de ontdekking van twee nachtkijkers van Delfts Instruments op Iraakse stellingen tijdens de Golfoorlog in 1991 zit het bedrijf met de Amerikaanse overheid in de knoop.

Tot op de dag van vandaag moet voor Amerikaanse toelevering van onderdelen voor Nederlandse defensieprodukten, elke keer een speciale ontheffing van de exportsancties worden aangevraagd. Buiten Nederland kan Delft Instruments helemaal geen defensiegoederen met Amerikaanse onderdelen leveren. Inmiddels heeft Delft Instruments haar activiteiten op defensiegebied drastisch verminderd. Defensie bedraagt nu nog maar 10 procent van de totale omzet volgens ir. R.V. Kingma, voorzitter van de raad van bestuur van Delft Instruments.

Betrokken Amerikanen hebben inmiddels toegegeven dat de sancties buitenproportioneel zwaar waren. Het was oorlog. Amerikaanse levens stonden op het spel. Delft Instruments werd gebruikt om een voorbeeld te stellen.

De eerste sancties werden aan Delft Instruments in 1991 voor het hele bedrijf opgelegd. Na een schikking in 1992 werden alleen de defensiedochters nog voor een periode van drie jaar sancties opgelegd, waarvan twee jaar voorwaardelijk. Het eerste jaar is allang voorbij, maar nog steeds is Ronald Carlberg van de firma Ipac, die Delft Instruments in Washington vertegenwoordigt, er niet in geslaagd om de resterende restricties helemaal op te laten heffen.

Volgens Carlberg was een van de redenen waarom eerst ook alle niet-militaire dochters van Delft door de sancties werden getroffen, dat de Amerikaanse overheid niet genoeg van Delft Instruments afwist. “Ze wisten niet eens dat er van de tien dochters, maar drie defensieprodukten maken”, zegt hij. Een mooi voorbeeld van de ongelukkige communicatie is het feit dat Kingma slecht op de hoogte werd gehouden van de stappen van de Amerikaanse overheid. Twee maanden na de eerste maatregelen van de Amerikaanse ministeries van Handel en Buitenlandse Zaken eind februari legde ook het ministerie van Defensie sancties op. Pas tien dagen later vernam Kingma het slechte nieuws. Dat was in het weekeinde dat de New York Times erover berichtte. “Wij hadden toen nog niet het Washingtonse advocatenkoor Akin en Gump in dienst genomen”, zegt Kingma.

Volgens Carlberg was de slechte informatie uit Washington het resultaat van een verkeerd advies. “Delft Instruments kreeg in het begin van haar Nederlandse advocaten het advies om hier weg te blijven. Ons advies was juist het tegenovergestelde: wordt actief in de Verenigde Staten!'. Hoewel het volgens bestuursvoorzitter Kingma zijn eerste reactie was om wel een vertegenwoordiging in Washington te hebben, werd in de beginfase toch besloten het advies van de Nederlandse advocaten op te volgen, met alle gevolgen vandien.

Door een gelukkige samenloop van omstandigheden heeft Delft Instruments zich toch nog op het lobbypad begeven. Een gepensioneerde defensie-attaché uit Washington las in de krant over de problemen van een van Nederlands weinige defensie-industrieën en besloot Kingma te bellen. Hij vroeg hem of het bedrijf hulp in Amerika had. “Wij zaten daar net op dat moment aan te denken, maar we wisten niet precies wie we daar voor konden inhuren”, zegt Kingma. Op aanraden van de voormalige attaché nam Delft Instruments IPAC in de arm. Dit bedrijf is gespecialiseerd in het verkrijgen van overheidscontracten en de ex-attaché had in Washington al samengewerkt met IPAC ten behoeve van Duphar.

In juni 1991, bijna vier maanden na de eerste sancties nam Delft Instruments op aanraden van IPAC een van de topadvocatenkantoren van Washington, Akin, Gump, Strauss, Hauer en Feld in dienst. Dit bedrijf zette meteen vijf advocaten op de zaak. Een advocaat moest zich concentreren op het ministeries van Handel, een ander op Buitenlandse Zaken en een derde op Defensie. Een ander advocatenkantoor, Mudge and Rose, deed een intern onderzoek bij Delft Instruments volgens Amerikaanse normen. IPAC bewerkte de departementen met informatie over de interne reorganisaties in Delft Instruments.

Een jaar later, in juli 1992, werden de strengste import- en exportsancties tegen Delft Instruments grotendeels opgeheven. Het bedrijf betaalde de Amerikaanse overheid een schikking van 3,3 miljoen dollar (toen 5,4 miljoen gulden) en alleen de defensiedochters kregen nog tijdelijke exportsancties opgelegd. Maar zoals gezegd, zijn die nog steeds van kracht. De lobby van Delft Instruments, door IPAC, bestaat er nu nog alleen uit om de bureaucraten achter hun broek aan te zitten en er op aan te dringen dat alles wordt opgeheven. Carlberg van IPAC verwacht dat dat binnen vier maanden het geval zal zijn. Carlberg beschouwt zichzelf niet als lobbyist maar als specialist in opdrachten van de overheid en als deskundige in 'marketing' bij de overheid. De federale overheid is een netwerk van gecompliceerde juridische procedures, waarbij reeksen advocaten elkaar aan het werk houden. Hij begeleidt bedrijven bij het bieden op overheidscontracten.

De Nederlandse overheid is het bedrijf ook te hulp gekomen. De economische afdeling van de ambassade in Washington hield zich met de zaak bezig omdat het om overheidsproblemen van een Nederlands bedrijf ging. De defensie-attachés werden actief omdat ze de toelevering voor de krijgsmacht in gevaar zagen komen. “De grootste lobby die wij gehad hebben is de Nederlandse ambassade geweest”, zegt Kingma.

Zelfs tijdens de totale sancties in 1991 en 1992 mocht Delft Instruments wel aan de Nederlandse krijgsmacht leveren. Delft Instruments moest de aan de krijgsmacht geleverde apparatuur onderhouden. Toenmalig staatsecretaris van defensie Van Voorst tot Voorst had in 1991 in een brief aan de toenmalige minister van defensie Richard Cheney om toestemming gevraagd voor het gebruik van de Amerikaanse onderdelen, die Delft Instruments nog in het magazijn had liggen voor de Nederlandse krijgsmacht. Toen de magazijnen van Delft Instruments leeg waren, kreeg het Nederlandse ministerie van Defensie in 1992 toestemming om voor leverantie aan de Nederlandse krijgsmacht een uitzondering te maken op de sancties.