Dood van Cobain laat zien waar blanke jeugdcultuur is vastgelopen

Popjournalisten hebben de afgelopen weken verwoede pogingen gedaan de zelfmoord van zanger Kurt Cobain van de Amerikaanse rockgroep Nirvana te duiden. Volgens Sjoerd de Jong viel de blanke welvaartsjeugd vooral voor de eerlijkheid van deze eigentijdse rockster.

Al jaren was er geen interessant wrak meer gesignaleerd langs de snelweg van de rock. Het lijstje van 'meest waarschijnlijke volgende rock-dode', jarenlang aangevoerd door drugs-grootgebruiker Keith Richards van de Rolling Stones, werd niet meer bijgehouden. In plaats daarvan kwamen lofzangen op de schijnbaar eeuwige jeugd van de joggende Stones-voorman Mick Jagger en op den duur liet zelfs Richards zich een fonkelend nieuw gebit aanmeten. Aan het front van de blanke rock leek alles geregeld.

Tot de zelfmoord van Kurt Cobain. Een gekwelde 27-jarige rockster, gespecialiseerd in desperaat gitaargeweld met de merknaam grunge, van wie de meeste krantelezers uit de Beatles-generatie nog nooit hadden gehoord. Hij schoot zich door het hoofd en ineens was de mondiale jeugdcultuur te klein. Ouders die zelf nog in 1980 om John Lennon hadden getreurd, zagen hun tienerkinderen met natte ogen thuiskomen en een elektronische hartekreet versturen over wereldwijde computernetwerken. Zoals een fan uit Seattle, de thuisbasis van Cobain: “Ik huilde het hele weekend. Ik moest voortdurend denken aan zijn laatste dagen, hoe hij zich moet hebben gevoeld. Ik wou dat ik iets voor hem had kunnen doen.” Twee fans - een Amerikaanse jongen, een Turks meisje - hebben tot nu toe zijn dood geïmiteerd.

Wie was Kurt Cobain en waarom maakt zijn zelfmoord zo'n diepe indruk op een nieuwe generatie welvaartskinderen? Tientallen commentatoren hebben de afgelopen weken de lemma's 'angst' en 'vervreemding' maar weer eens opgeslagen in het Handboek voor de Jeugdcultuur. Cobain, kind van gescheiden ouders, werd het slachtoffer van de “fall out van de vrije liefde”, aldus rock-critica Lorraine Ali. Hij belichaamde met zijn teenage Angst het “verpletterde idealisme, de gekwetste sensibiliteit en het agressieve sarcasme” van de 'Generatie X', stuurloze blanke teenagers in een verzadigde cultuur, die vanaf de jaren zestig in de steek werden gelaten door hun zichzelf ontplooiende ouders. Jon Pareles van de New York Times ontwaart onder de Cobain-jeugd een “afkeer van een mainstream die zich vergaapt aan materieel succes en hersenloos amusement najaagt”. Zijn collega Jay Fielden van The New Yorker ziet in de zelfmoord van de jeugdige instant-miljonair “een aanwijzing dat geld niet alles is voor deze generatie”.

In zulke pogingen tot generatiekunde komt in elk geval direct de tweedeling aan het licht tussen de 'oudere jongeren' die over popmuziek schrijven en de 'jonge jongeren' die ernaar luisteren. “Voor het eerst bleek de generatie journalisten die zelf opgroeide met popmuziek volkomen out of touch met de nieuwe generatie tieners. (...) We hebben wat in te halen”, noteert David Lister in The Independent.

Ja, maar wat precies? Wat sprak die tieners aan in Cobain? Sleutelwoorden in veel grafschriften voor deze ster-tegen-wil-en-dank zijn 'eerlijkheid', 'oprechtheid' en 'integriteit'. Bij Cobain was niets show - of zoals de Stones zongen “only rock 'n' roll” - maar alles ernst. Hij zou nooit uit louter effectbejag een gitaar kapotslaan op het podium, zoals Pete Townshend, of zijn gulp openritsen, zoals de psychedelische poseur en collega-rockdode Jim Morrison. Cobain bezat de verlammende - en volgens sommige commentatoren voor 'Generatie X' kenmerkende - integriteit van iemand die eigenlijk te slim is om er idealen op na te houden, maar tegelijk te ideeël is om op een slimme manier eieren voor zijn geld te kiezen. In een afscheidsbrief aan de wereld schreef hij: “De ergste misdaad is te doen alsof.” Een moralistische verklaring die neerkomt op een artistiek brevet van onvermogen.

Zoals de loopbaan van de Britse punkers eind jaren zeventig, zo stond ook de kortstondige carrière van Cobain in het teken van een obstinate weigering te leven met de dubbelzinnigheden van de massa-cultuur. Hij wilde geen superster zijn die voor de tribune worstelt met zijn roem maar daar intussen behendig het beste van weet te maken, zoals de sixties-helden Neil Young (nog in leven) of Frank Zappa (natuurlijke dood). Kurt Cobain nam alles lètterlijk, als een rock-fundamentalist. In zijn zelfmoordbrief citeert hij instemmend Neil Youngs burleske rock-adagium dat “it's better to burn out than to fade away”. De lepe overlever Young zèlf vat die leus niet al te zwaar op, getuige zijn vele come-backs, maar voor Cobain had de slogan de kracht van een bijbelse opdracht.

In de muziek van Cobains band Nirvana is dat onvermogen om een evenwicht te vinden tussen ernst en ironie te horen: het is rauwe maar ook holle muziek die eindeloos rondwoelt op zoek naar een eigen spoor tussen traditie en originaliteit. De sarcastische en tegelijk wanhopige 'grunge' die Cobain beroemd maakte, was Amerika's inheemse variant van de Britse punk: 'alternatieve' popmuziek als vehikel van een gedesoriënteerde generatie blanke middenklasse-jeugd die zich bekneld voelt tussen een hypercommerciële massa-cultuur en allengs somberder persoonlijke toekomstverwachtingen. Terwijl de optimistische jeugdcultuur van de jaren zestig een daverend succesvolle gimmick is geworden - een marketingdroom met eindeloze mogelijkheden voor herhaling - zoekt de 'grunge'-jeugd met bitter realisme een eigen plaats in de samenleving.

Dat is een ironische omkering van de culturele voorhoede-rol die blanke rock in de jaren zestig speelde. Toen werd de hele samenleving 'omgeturned', jeugd-verheerlijking vierde hoogtij. Die tijden zijn voorbij: de blanke 'Generatie X' jeugd voelt zich ontheemd, sociaal, economisch èn muzikaal. Voorzover popmuziek nog een grensverleggend onbehagen in de cultuur belichaamt, is hun 'alternatieve' rock allang ingehaald door zwarte genres als rap en hip hop; daar is sprake van een spontane, vitale jeugdcultuur die zich naadloos weet uit te drukken in een nieuw muzikaal medium. Na een lange omweg is rock 'n roll zo weer terug bij zijn roots: zwarte, 'onfatsoenlijke' muziek.

Als Kurt Cobains populariteit dus iets zegt over de moderne (blanke) jeugd, is het misschien dit. Hij raakte een gevoelige snaar door zijn tragische behoefte aan een integere plaatsbepaling in een popcultuur die wordt beheerst door fragmentatie, recycling, onzekerheid over de toekomst en postmoderne Spielerei - kortom, door verwarring en gebrek aan ernst. Cobains smeekbede “Rape me” kan dan behalve als persoonlijk exorcisme ook worden gezien als een poging te ontsnappen aan een muzikaal idioom dat, ooit begonnen als drager van een bevrijdende boodschap, dertig jaar later een knellend keurslijf is geworden. Cobain meende zich daar tenslotte maar op één manier van te kunnen ontdoen.

    • Sjoerd de Jong