De markt kent geen mededogen

De markt is een meesterlijk mechaniek. Neem bijvoorbeeld de zilvermarkt. Door vraag en aanbod ontstaat dagelijks een zilverprijs. Opeens begint die prijs te stijgen. Dit kan het gevolg zijn van een toenemende zilverbehoefte onder de mensen. Het kan ook zijn dat een bemiddeld speculant groot aan het inkopen is; jaren geleden hebben de gebroeders Hunt eens zoiets gedaan. Wat de achtergrond van die zilverprijsstijging is, doet er niet zo toe. Het bijzondere is dat op zo'n prijssignaal wordt gereageerd door de aanbieders van zilver. Niet alleen wordt er in de zilvermijnen overgewerkt. Ook particulieren over de hele wereld staan met hun zilveren kandelabers, bestekken, broodmandjes en suikertangen in de rij bij de plaatselijke zilversmid. De prijs werkt als een soort boodschapper tussen vragers en aanbieders. Aanbieders reageren op de hogere prijs en doen precies wat de vragers willen, namelijk meer zilver op de markt brengen. Die signaalwerking van prijzen op de markt doet de oogjes van menig econoom twinkelen.

Toch loopt in een economie niet alles via de markt. Zilver wel en aardappelen ook, maar straatverlichting en milieuzorg bijvoorbeeld niet. Die laatste twee komen er alleen maar als een overheid er voor zorgt. De markt blijkt, als je 'm z'n gang laat gaan, niet altijd zo feilloos te werken als in het gegeven voorbeeld.

De werkelijkheid van alle dag laat in elk land een mengsel zien van marktwerking en overheidsbemoeienis. Wereldwijd zien we de laatste jaren hoe de populariteit van de markt stijgt ten koste van de overheid. Landen zoals de voormalige Sovjet-Unie, waar de overheid zich op de meest indringende manier met de samenleving bemoeide, zijn stukgelopen. In China neemt in een hoog tempo de markt het heft in handen. In het Westen spreken de politieke partijen die veel betekenis hechten aan een sturende overheid steeds minder kiezers aan. Zoiets als solidariteit met de zwakken in de samenleving is een moeilijk verkoopbare boodschap. Het kan dan ook niet ontkend worden dat bijvoorbeeld in Nederland de zorg en de bemoedering wat te ver zijn doorgeschoten. De werking van veel markten wordt door een overdosis regels en regeltjes verstikt. Ons zorgsysteem is zo ingericht dat wie erin terecht komt, geen enkele prikkel ontvangt om er weer uit te stappen.

Het heeft een aantal jaren geduurd voordat men in brede kring begon te beseffen dat onze overheid wat stappen terug moet doen om de markt een beetje meer lucht te geven. Nu het eenmaal zo ver is, gaat men er flink tegenaan. Er wordt gesnoeid in de sociale zekerheid, overheidsbedrijven worden geprivatiseerd. Politieke partijen wedijveren met elkaar wie de stoutmoedigste bezuinigingen op overheidsuitgaven in zijn verkiezingsprogramma durft af te drukken. Ze rollen over elkaar heen op de stoepen van het Centraal Planbureau, waar ze laten doorrekenen of er geen logische tegenstrijdigheden in hun program zitten.

De markt, dat is het. Laat die z'n werk doen en alles komt goed. Het marktdenken wint op alle fronten. Zou je niet alleen die dingen door de overheid moeten laten doen die de markt niet tot stand kan brengen? Een bekende klassiek-liberale gedachte: de beste overheid is de kleinste overheid. Het is een voor de hand liggende reactie op een te groot gegroeide publieke sector. Maar de slinger van de klok lijkt nu te ver door te slaan in de richting van de markt. Tegen de tijd dat we met z'n allen grondig hebben kennis gemaakt met het marktmechanisme zal er weer worden geroepen om meer overheid. Misschien aanleiding om het ongeremde marktdenken nu alvast wat te nuanceren. Aan de markt kleeft immers een aantal niet onbeduidende bezwaren. Hij is dan wel heel doelmatig maar tegelijkertijd hardvochtig. Hij kent geen mededogen met mensen die onvoldoende koopkracht hebben. Koopkracht bepaalt je stem op de markt. Heb je daarvan onvoldoende, dan wordt je niet gehoord. Begrippen als solidariteit en rechtvaardigheid zijn de markt vreemd. De markt is kampioen van de doelmatigheid ('efficiency'), maar hij kent geen rechtvaardigheid ('equity').

Een tweede bezwaar tegen de markt is dat hij niet kan zorgen voor zaken als defensie, bestuur, rechtszekerheid, beveiliging tegen de zee en straatverlichting. Geen particulier ondernemer zou zich aan deze collectieve goederen wagen; hij kan de gebruiker er immers geen prijs voor laten betalen. En dan is er een heel stel zaken waarvan het aanbod zou opdrogen, zou verschrompelen, als er niet een bemoeierige/bemoederende overheid was die ervoor zorgde. Hoe zouden de kunst, het zuiver wetenschappelijk onderzoek en het onderwijs eruit zien als ze aan de markt zouden worden overgelaten? En de sociale zekerheid? En wie zou er voor een leefbaar milieu zorgen als we Hans Alders niet hadden? Een derde bezwaar: marktwerking gaat uit van veel vragers en veel aanbieders die elkaar op de markt 'ontmoeten'. Maar soms zijn er maar een paar aanbieders of een paar vragers die dan een machtspositie kunnen uitbuiten.

Er blijkt dus alle aanleiding om de markt wat behoedzamer te omarmen dan op het ogenblik vaak gebeurt. In een beschaafde democratie is op allerlei plekken overheidsbemoeienis noodzakelijk. Het gaat om het vinden van het juiste evenwicht tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid. Een groot deel van de verkiezingsstrijd, die aanstaande dinsdag zijn climax bereikt, gaat in wezen om die keuze.

    • Rolf Schöndorff