'Alarmerende' teruggang van onderzoekswerk bij Nederlandse bedrijven; Pleidooi voor brede technologiesteun

ROTTERDAM, 28 APRIL. “Alarmerend.” Zo noemde minister Andriessen van economische zaken gisteravond op een CDA-verkiezingsbijeenkomst in Beuningen de enorme terugval in onderzoeks- en ontwikkelingswerk (R&D) bij Nederlandse bedrijven. Hij baseerde zijn uitspraak op het die middag gepubliceerde rapport 'Innovatie in de Nederlandse industrie en dienstverlening', waaruit blijkt dat in de periode 1988-1992 het aantal bedrijven dat 'iets' aan onderzoek en ontwikkeling doet met 35 procent gedaald is, van 6600 tot 4300.

Vorige week meldde het bureau Merit, op basis van een studie voor Economische Zaken, dat de Nederlandse uitgaven aan technologisch onderzoek ver achter liggen bij die van het concurrerende buitenland en blijven dalen. Het Nederlandse R&D-budget nam van 1,1 procent van het bruto nationaal produkt in 1991 af tot 1 procent in 1992. In 1985 was het nog 1,4 procent. Frankrijk (1,5 procent), de Verenigde Staten (1,9 procent) en Japan (2,1 procent) investeren beduidend meer in innovatie.

Beide onderzoeken zijn koren op de molen van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT). Dit hoogste technologie-adviesorgaan van EZ bepleit in het - ook al gisteren uitgebrachte - rapport Technologiebeleid en economische structuur, wijziging van de regelingen voor stimulering van technologische ontwikkeling. Het huidige instrumentarium van de overheid kent onnodige beperkingen, aldus de Raad.

Met name het zogeheten Programma Bedrijfsgerichte Technologiestimulering (PBTS) moet het ontgelden. De Raad adviseert afschaffing ervan. Met de 167 miljoen gulden die daardoor per jaar vrijkomt kan de overheid beter de fiscale aftrek van onderzoeks- en ontwikkelingskosten van bedrijven verhogen.

Het PBTS, zo constateert het adviescollege, subsidieert slechts initiatieven op vier gebieden (bio-, informatie-, materiaal- en milieutechnologie). Volgens de Adviesraad, waarin vertegenwoordigers van bedrijfsleven, universiteiten en onderzoeksinstituten, dient de kennisintensiteit echter in àlle economische sectoren te worden verhoogd. Een 'brede' subsidieregeling verdient daarom de voorkeur. “De overheid moet niet vooraf zeggen wat wel en niet mag”, licht dr. A. van Heeringen, secretaris van de AWT, toe. “De ondernemer weet zelf het best wat relevant is.”

Met het advies de PBTS-gelden te gebruiken voor fiscale begunstiging van alle ondernemingen die technologisch onderzoek verrichten sluit de Adviesraad naadloos aan bij de 'R&D-faciliteit' waarmee de Eerste Kamer deze week akkoord ging. Deze regeling voorziet in een korting op de loonbelasting van R&D-personeel. Op jaarbasis bedraagt die korting 25 procent over de eerste 100.000 gulden en 12,5 procent over het meerdere tot een maximum van 10 miljoen gulden. Dit kost de Staat 350 miljoen gulden per jaar.

De AWT, aldus Van Heeringen, zou deze regeling willen uitbreiden. Met het PBTS-budget zou bijvoorbeeld de eerste schaal kunnen worden verhoogd tot 50 procent, waardoor vooral het midden- en kleinbedrijf (MKB) wordt begunstigd.

Het zijn namelijk juist de kleinere bedrijven die de voorbije jaren eigen onderzoeks- en ontwikkelingswerk hebben gestaakt, zo blijkt uit 'Innovatie in de Nederlandse industrie en dienstverlening'. Ook het uitbesteden van onderzoek, een optie voor veel kleine bedrijven die R&D-faciliteiten missen, is sinds 1988 afgenomen. “Uiterst zorgwekkend”, aldus Andriessen gisteren. “Het MKB is broedplaats voor innovatie en bron van werkgelegenheid. Een sterke economie kan niet zonder innovatief MKB.”

Voor het op verzoek van Andriessen opgestelde Innovatie-rapport ondervroegen onderzoekers van de Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam 8000 bedrijven. Zij melden in hun verslag dat bedrijven die gebruikmaken van beleidsinstrumenten en overheidsprogramma's - zoals het PBTS, advies door InnovatieCentra en Technisch Ontwikkelingskrediet - een hogere R&D-intensiteit hebben dan bedrijven die dit niet doen.

Een nogal neutrale constatering, beaamt AWT-secretaris Van Heeringen, en in ieder geval geen garantie dat die instrumenten ook léíden tot extra R&D. Het zou immers best kunnen dat bedrijven die al onderzoekswerk verrichten de aangeboden subsidie toch maar even ophalen.

Het geloof in subsidieregelingen is binnen de Adviesraad niettemin behouden. Maar de effectiviteit ervan kan groter zijn, aldus Van Heeringen. Naast de vervanging van het PBTS door fiscale onderzoekssteun bepleit zijn organisatie daarom aanpassing van de regels voor toekenning van Technisch Ontwikkelingskrediet, én een hoger budget ervoor. Dit TOK (133 miljoen gulden per jaar) is na het PBTS en de R&D-faciliteit de derde innovatiesubsidie van EZ. “En het is een goed instrument”, vindt Van Heerdingen.

Wat de Adviesraad betreft, zou technisch ontwikkelingskrediet niet langer moeten worden beperkt tot absoluut nieuwe technologieën of toepassingen ervan. Gemiddeld lopen er veertig projecten met TOK-subsidie, signaleert Van Heerdingen, en vooral bij grote bedrijven. “De regeling is dus niet breed genoeg”, vindt hij. Juist ten behoeve van kleine bedrijven zou de verstrekking van zulk krediet moeten worden uitgebreid tot toepassing van bestaande technologie. Ook dat versterkt immers de technologische basis.

Ter ondersteuning van het MKB spreekt de Adviesraad zich verder uit voor meer geld en een groter mandaat voor de Innovatiecentra, de 'technologiekantoren' van EZ in den lande. “Al met een paar miljoen extra zouden ze een actievere, meer initiërende rol kunnen spelen”, aldus Van Heerdingen.

    • Hans Wammes