Verveling

Heeft elke tijd zijn overheersende emotie? Volgens de Engelse fotograaf Martin Parr geldt in elk geval voor deze tijd dat de allesoverheersende emotie verveling is, zoals te lezen viel in Vrij Nederland van vorige week. En te zien, want er staan fascinerende illustraties bij uit zijn fotoserie 'bored couples': echtparen met lege contact mijdende blikken, van een zo verpletterende doffe uitzichtloze verveling dat je er weer vrolijk van wordt (het Peter van Straaten effect).

Klopt Parrs tijdsdiagnose, is verveling een zo overheersend hedendaags gevoel? En zo ja, is dat erg? Verveling wordt in elk geval nooit beschouwd als iets om trots op te zijn. Een zich vervelend kind kan nog wel enige ontroering wekken, maar zich vervelende volwassenen wekken ergernis en verontrusting. En dedain: want vervelen is dom, zo luidt het misprijzende oordeel over mensen die in de ogen van de oordeelvellers maar landerig rondhangen en niet zo gedisciplineerd en gedreven voortdraven als zijzelf.

Maar het gaat hierbij niet alleen om de angst voor andermans verveling. Voor veel mensen is het een gevoel dat ze tot het uiterste willen vermijden, en ze gaan daar heel ver in. Ze zitten urenlang in files op weg naar pretparken, verkeren in een staat van permanente verbouwing van hun huis dat vele rondes eerder al in redelijke staat verkeerde, plannen de hele dag vol zodat er geen minuut van rust en leegte overblijft.

Verveling is een verwaarloosd begrip in de psychologie en de sociale wetenschappen. Het gaat daar over depressie en eigenwaarde, macht en onmacht, strijd en rivaliteit, maar zelden of nooit over verveling of het vermijden van verveling. Wel gaat dit soms schuil onder andere noemers of zit het verpakt in beschrijvingen van menstypen zoals 'de narcistische persoonlijkheid'; of diens voorloper: de 'other directed man', die niet meer put uit zijn rijke en koersvaste innerlijk maar gericht is op de buitenwereld. De narcistische persoonlijkheid, zoals verontrust en knorrig beschreven door de Amerikaanse historicus Christopher Lasch, is altijd op zoek naar prikkels van buiten omdat hij zelf van binnen leeg zou zijn. Het is het sociale schrikbeeld van de rusteloze zich vervelende onverzadigbare moderne mens, van wie de auteur zich duidelijk wenst te onderscheiden.

De ideologische inslag van deze beschouwingen moge duidelijk zijn, maar is het daarmee ook onzin? Is _ want daar gaat het hier om _ de angst voor verveling slechts een conservatieve of elitaire ergernis over andere mensen met meer op prikkels en consumptie gerichte levensstijlen? Parr verbindt verveling met overvloed: hij wil de westerse wereld laten zien 'met haar buitensporige overvloed en haar gruwelijke verveling', waarbij in het midden blijft of mensen uit verveling gaan kopen en consumeren of zich juist als gevolg van het laatste gaan vervelen. Hier tegenover staat een geheel andere sociale angst: de verveling uit gebrek. Gebrek aan geld waardoor niets meer kan, gebrek aan structuur waardoor de tijd oeverloos wordt, gebrek aan betekenis waardoor het bestaan leeg wordt. Angst voor werkloosheid is _ al wordt het zelden zo benoemd _ ook angst voor verveling. De opgetogen jaren-zestigfantasie over de homo ludens die bevrijd van werk spelend, scheppend en genietend het leven zou doorbrengen, is weggezakt in het schimmenrijk der sociale dromen, niet opgewassen tegen de realiteit.

Maar er is nog een ander kenmerk van de huidige westerse samenleving dat met verveling zou kunnen samenhangen. In ons historisch gezien vrij risicoloze bestaan is er een onvervulde zucht naar opwinding en avontuur, die mensen rusteloos maakt en kan doen verlangen naar gevaar, beproeving en ontbering. Overlevingstochten door woestijn en oerwoud voorzien in deze behoefte, evenals horrorfilms en het sterk opkomende thema van de seriemoordenaar. Misschien is verveling ook de prijs van het geordende, aangeharkte en relatief veilige bestaan in de verzorgingsstaat.

    • Christien Brinkgreve