Normandië koestert eigen herinneringen aan Jour J

CAEN, 27 APRIL. André Heintz is een zeer bescheiden verteller over zijn betrokkenheid bij het verzet in Normandië. Soms maakt de gepensioneerde leraar Engels een uitzondering. “Kort na de oorlog kwam ik hier in Normandië een hoogleraar uit de Elzas tegen die me omhelsde en zei: 'Wat leuk u te ontmoeten. Ik heb altijd lid van het verzet willen worden, maar niemand vroeg me.”'

Heintz (zijn Duitse ouders waren voor de oorlog genaturaliseerd) praat over toen alsof hij een vlindercollectie bespreekt: nauwkeurig en droog, met heldere kleuren. Voor hem en zijn 'collega's' betekent het feestgedruis rond de komende herdenking van 50 jaar geallieerde landingen vooral ruis (“Oud-strijders willen geen muziek en gedoe. Zij willen elkaar weer zien en zich verheugen over de vrijheid en hun jeugd.”). Hij ziet één pluspunt: aan jonge generaties kunnen vertellen dat “de strijd van toen de strijd van vandaag is, en de strijd van morgen”.

De Tweede Wereldoorlog was in de eerste jaren al zo bitter geweest dat het verlangen naar bevrijding tegen beter weten in levend werd gehouden door de kleine kern van Normandiërs die niet meedeed met het nieuwe Frankrijk dat de bezetter aanbood. Heintz: “In '43 hoopten wij hevig op een geallieerde landing. De Duitsers hadden in de herfst al getracht ons te ontmoedigen door biljetten te drukken met 'Churchill, waar blijf je?'.”

Toen het aan de vooravond van 6 juni 1944 eindelijk zo ver was, konden de mensen van het verzet weinig doen. “Wij droomden altijd van actie, maar het was te gevaarlijk bij elkaar te komen met meer dan drie man tegelijk. Dus konden we voor Jour J niet organiseren wat we hadden gedroomd. Toen de grote dag daar was, raakte ik al snel van mijn groepje afgesneden. Ik had gelukkig een Rode-Kruisdiploma. Dus hielp ik drie dagen en drie nachten met gewonden verzorgen en afvoeren.”

De geallieerden hadden tot het laatste moment verwarrende informatie verspreid, zodat de Duitsers bleven denken dat de werkelijke invasie pas na 15 juni zou plaatshebben, en niet in Normandië. De Fransen van het verzet hadden - via de reeks codeberichten die elke dag na het nieuws op de Britse radio werden uitgezonden - het bericht gekregen over het begin van de landingen. Zoals Verlaine's dichtregel 'Les sanglots longs des violons d'automne blessent mon coeur d'une langueur monotone' en iets minder poëtisch, 'Napoléon veut embrasser Joséphine'. Maar de verwarring bleef effectief, ook voor de Fransen.

Heintz is tot het eind van de oorlog blijven luisteren naar radioboodschappen van hoop en strijdlust. Hij is een beetje trots dat zijn in een namaak-soepblik van een bekend merk verstopte kristalontvangertje een plaatsje heeft gevonden in het in '88 geopende Memorial, Musée de la Paix. Dat museum staat in Caen, dicht bij de kust aan de Esplanade Eisenhower, op een plaats waar hevig is gevochten.

De burgemeester van de in '44 zwaar getroffen stad, senator Jean-Marie Girault, heeft jaren moeite gedaan voor de oprichting van het Mémorial. Stad en regio zijn er nog ieder jaar een stevig bedrag aan kwijt. Eigenlijk zou het Mémorial op een Europese begroting moeten staan. Dat zou beter besteed geld zijn dan ongeveer iedere dubieuze regionale subsidie.

Het Mémorial overtreft iedere verwachting van wat zo'n herdenkingsinstituut zou kunnen betekenen. Kinderen en volwassen lopen er ademloos doorheen. Het is een modern, ook op de emoties werkend museum. Alle denkbare tentoonstellingstechnieken zijn gebruikt, maar het wordt nergens geforceerd spannend. Het geeft de oorzaken en de werkelijkheid van de Tweede Wereldoorlog sober en toch indringend weer. Gevolgd door de afloop: de landingen (155.000 man op 6 juni en nog eens twee miljoen eind augustus '44) plus de Slag om Normandië met zijn 37.000 geallieerde doden en 153.000 gewonden). Een indrukwekkend en inderdaad op de vrede gericht Mémorial.

Voor de deur zal daar op 6 juni 's avonds een groot spektakel worden opgevoerd. De Franse minister van cultuur lichtte gisteren een tipje van de sluier daarvan op. Hij kon niet zeggen of de staatshoofden en regeringsleiders er ook bij zullen zijn, maar 60.000 toeschouwers, onder wie 10.000 (meest buitenlandse) veteranen kunnen een uur en tien minuten kijken naar een soort son et lumière van hoop en vrees, getiteld 'Au nom des hommes'. Een 16 meter hoge en aan de voet 75 meter brede piramide (“un gigantesque machine à mémoire”) zal met behulp van 2400 vrijwilligers allegorisch van gedaante veranderen, van vredesberg tot kerker en terug. Het spektakel kost tien miljoen gulden. Omdat de Franse belastingbetaler er voor opdraait, krijgt die voorrang bij het verdelen van de gratis kaartjes.

Gisteren was het minister Toubon van cultuur die dit evenement aankondigde. Op andere momenten is het zijn collega Mestre van oud-strijderszaken die elementen van de herdenkingsplechtigheden onthult. Heel ambtelijk Parijs heeft het druk met coördineren. De geallieerde ambassades hebben er op hun beurt dagwerk aan om hun contingenten oud-strijders en hoogwaardigheidsbekleders straks netjes in te passen. Om het 'Colditz sur mer' van 1944 waardig te herdenken.

In Normandië zelf wordt intussen op gemeentelijk en regionaal niveau van alles ondernomen om de bevolking een vorm van bezinning te bezorgen die bij de eigen ervaringswereld aansluit. Zeker 350 grotere en kleinere evenementen zijn in voorbereiding. In destijds zwaar getroffen steden als Lisieux, Le Havre, Caen, Saint-Lô, Evreux en Vire ligt de nadruk op de herinneringen aan die schokkende dagen, waarin het vaak bevriende vliegtuigen en troepen waren die de verwoesting aanrichtten.

Alleen Le Havre al kreeg 2000 ton bommen te verwerken. De stad werd voor meer dan 80 procent in puin geschoten. Meer dan 3000 inwoners verloren het leven. Niemand weet met zekerheid wat het doel van de geallieerde bombardementen is geweest. Misschien de Duitsers bevestigen in hun verkeerde verwachting dat de geallieerden in die haven zouden landen.

Tot bitterheid leiden dit soort herinneringen niet. Op de kades van Le Havre wordt van 10 tot 17 mei een 'Armada du Jazz' gehouden, vooral een bewijs dat de bevrijdende Amerikanen een blijvende import van hun cultuurgoed op gang hebben gebracht. In Deauville komt een speciaal Amerikaans filmfestival. Zoals Cécile Renault van de Region Haute Normandie opgetogen zegt: “Chez nous, c'est Lucky Strike”.

In Montormel, Caen en Arromanches gaan nieuwe, gespecialiseerde kleinere musea open. Die leveren geen concurrentie aan bestaande D-Daymusea zoals dat van Arromanches, waar de spectaculaire aanleg van een kunstmatige haven door de Britten van dichtbij zichtbaar wordt gemaakt. Op 8 juli gaat het geboortehuis van de schilder Jean-François Millet open in het dorp Gruchy, bij La Hague, ten westen van Cherbourg. Het werd door de Amerikaanse bevrijders zwaar beschadigd.

In heel Normandië reist vanaf september een tentoonstelling rond met originele foto's en schilderijen over de landingen en de Slag om Normandië. Een oproep aan de bevolking alles van zolder te halen heeft misschien geen grote kunst, maar wel een schat aan authentiek materiaal aan het licht gebracht.

Frankrijk ontvangt in juni de bevrijders van 1944 met open armen. Dat lijkt geen lege belofte. Het land is dan overigens al geruime tijd in herdenkingsstemming. Op 7 mei is het veertig jaar geleden dat Frankrijks Zuidoostaziatische avontuur tot een einde kwam in de vernederende veldslag van Dien Bien Phoe, Vietnam.

Zondag opende president Mitterrand plechtig het tot Nationaal museum verheven Kindertehuis in Izieu. Het was een opvangtehuis voor joodse weeskinderen dat 6 april 1944 op bevel van Klaus Barbie werd overvallen. De 44 meegenomen joodse kinderen kwamen niet terug uit Auschwitz. Vlak na de oorlog zei een eenvoudige plaquette dat zij door 'de Duitsers' waren meegenomen. De nu onthulde plaquette bewijst eer aan de slachtoffers van “misdaden tegen de menselijkheid begaan met medeplichtigheid van de regering in Vichy”. De president noemde hen “het symbool van de joden die in Frankrijk zijn uitgeroeid onder het régime in Vichy”.

Ondanks alle streven naar vrede en verzoening zijn de Duitse regering en Duitse veteranen niet welkom bij de grote plechtigheden op 6 juni. De Normandische verzetsstrijder André Heintz: “Dat is logisch. Zij hebben ons niet bevrijd. Integendeel. Wij hoeven hier hun nederlaag niet te herdenken.”

De Franse Wiesenthal, Serge Klarsfeld, heeft een praktisch alternatief aan zijn regering voorgelegd. “Men zou, op dezelfde dag en dezelfde tijd als de grote herdenking van de geallieerden, de Frans-Duitse brigade over de Rijnbrug van Kehl naar Straatsburg kunnen laten lopen. Aan de ene kant van de brug zou men portretten van De Gaulle en Adenauer kunnen neerzetten, aan de andere kant portretten van Mitterrand en Kohl. Dat zou een goede manier zijn om geografisch, door de afstand tussen oost en west, de ontwikkeling van vijftig jaar Frans-Duitse verzoening te symboliseren. Het voorstel is in studie”, aldus Klarsfeld.