Niets zo praktisch als een moraal

Sinds de gemeenteraadsverkiezingen wordt er overal driftig gespit naar de wortels van onze democratie. Eerst twee citaten: “De democratie groeit overal nog wel in aantal, maar nergens meer in kwaliteit. En dit betekent dat zij ten dode is opgeschreven. Ik juich het van harte toe.” De dichter J.C. Bloem, zijn hart luchtend tegen interviewer G.H. 'sGravensande in april 1925. Tien jaar later ontlokte dezelfde interviewer een politieke opmerking aan J.J. Slauerhoff. Slauerhoff vond het Hitlerdom 'amusanter' dan de sociaaldemocratie, maar wenste Nederland geen van beide toe. Tot 1945 was het geloof in democratie niet zo algemeen als nu, en vooral niet onder kunstenaars en intellectuelen. Zelfs Menno ter Braak, die het politiek benul had om de voorhanden alternatieven te begrijpen, had de grootste moeite met het recht van de meerderheid als grondslag van een samenleving. Bij democratie dacht een uit zijn zuilen gestapte Nederlander al gauw weer aan de noodzaak van een 'elite', want dat je zomaar met Jan en alleman te maken zou hebben, nee, dat ging toch te ver.

Democratie is altijd iets moeizaams geweest. De Fransen hadden de inkt van hun grondwet nog niet drooggeblazen of Napoleon stormde naar binnen en kroonde zichzelf tot keizer. De Amerikaanse ambassadeur, Thomas Jefferson, stak die grondwet in zijn zak en ging hoofdschuddend naar huis. Eenmaal president, waarschuwde hij de Amerikanen vooral niet te denken dat ze van Europa verder nog iets konden leren. Het was en bleef een werelddeel van godsdienstfanaten, halfgare monarchen en andere idioten die niet werkten voor hun geld en alleen maar hersenloos elkaar in de pan bleven hakken. Jefferson wilde een hoge muur in het midden van de Atlantische Oceaan, maar die is er nooit gekomen.

Zodoende drong er van de democratie langzaam maar zeker toch iets door, vervormd door afstand, holle echo's en alles wat je krijgt met al die wederzijdse vooroordelen, waarvan aan Amerikaanse zijde het meest onuitroeibare, zoals vaker met dit soort dingen, tevens het meest futiele is, namelijk, dat Europeanen een slecht gebit hebben.

Dat heeft het ontwakend Europees socialisme niet belet Marx en Engels in te ruilen voor de slimmere ideeen van een Amerikaanse werkgever. Henry Ford, na de lopende band te hebben bedacht, zag dat hij in een week meer auto's kon leveren dan daarvoor in een jaar. Maar wat begin je met honderd nieuwe auto's per week, als alleen de burgemeester, de notaris, de bankier en de eigenaar van de goktent er eentje kunnen aanschaffen? De massaproducent is afhankelijk van massaconsumptie, ontdekte Ford, en in plaats van zich hier een ongeluk van te schrikken, besloot hij op typische Amerikaanse wijze dat het een goede zaak was. Hij begon een bedrijfspolitiek van zodanig op elkaar afgestemde prijzen en arbeidslonen dat in no time, tot onthutsing van de plaatselijke notabelen, al zijn werknemers hun eigen auto konden kopen. Het duurde natuurlijk niet lang voor die werknemers zich realiseerden welke enormiteit er school in hun overigens wel saaie positie. Voor iemand begreep wat er gebeurde, was in de fabrieken van Ford de overlegeconomie geboren.

Voor de vraag welke invloed die had op de democratie van Jefferson was het nog te vroeg, en zeker in Europa. Daar werd een ander historisch feit gevestigd, toen in Berlijn, in september 1930, de Duitse Nationaalsocialisten met onberispelijk democratische verkiezingen van twaalf naar honderdzeven zetels in de Reichstag schoten. Een abuis, waaruit op te maken valt dat grote delen van West-Europa in 1930, ondanks hun kiesrecht, nog geen idee hadden wat ze daarmee eigenlijk moesten doen, of wat het precies voor recht was.

In ieder geval was het nooit het recht, agressie te plegen ten aanzien van de gelijke rechten van een ander. Elk democratisch recht, ook het recht van de meerderheid, houdt ogenblikkelijk weer op als er volksvertegenwoordigers worden gekozen die geen democraten zijn. Omdat dit een principe is dat zichzelf uitvoert, hoeft het nergens te worden vastgelegd.

Gezien het gebrek aan democratische tradities in Europa, mag je de naoorlogse Europese sociaaldemocratieen rustig experimenten noemen. Een Amerikaanse econoom, die met het retourticket veilig in de portefeuille oppert dat de sociaaldemocratie 'aan haar succes ten onder is gegaan', oordeelt voorbarig. Nog maar honderd jaar geleden hadden we hier de Doleantie. Waar zelfs de versplinterende protestanten elkaars aanblik niet verdroegen leeft nu een vrolijke culturenhutspot zo gezellig naast elkaar dat overal ter wereld steeds meer mensen zeggen, we gaan naar Nederland, want daar is het het leukst.

Je kunt je blindstaren op de vraag hoe dat allemaal op een eerlijke manier moet worden ingepast in de gedachte van Henry Ford, maar die vraag is toch onderdeel van een algemenere vraag naar de onderlinge verhoudingen. Degenen die de beste methode hebben ontwikkeld om zo'n maatschappelijke situatie te hanteren zijn nog steeds de Amerikanen. Schetsmatig, en even voorbijziend aan altijd onvermijdelijke discrepanties tussen theoria en praxis, redeneren die zo: Een samenleving is geen quasi-individu, dat ergens naar toe gaat. Op haar liberale best is ze een compromis tussen individuen. Het doel van een vrije maatschappij is niet iets te scheppen of uit te vinden, een gezamenlijke geloofsrichting, een ideologie of welke gedeelde overtuiging dan ook te hebben, maar gewoon om het mensen zo gemakkelijk mogelijk te maken hun vaak drastisch verschillende individuele doelen te bereiken zonder elkaar te benadelen of pijn te doen. Voor zover een liberale of sociaaldemocratie een morele houding eist, wordt van haar burgers alleen gevraagd die morele houding te hebben voor publieke doeleinden. Daarnaast mogen ze er desnoods prive een andere moraal op nahouden.

Dat het onderscheid tussen publieke en persoonlijke sferen telkens vervaagt, is een van de redenen waarom het zo moeilijk is over die morele houding iets te zeggen op een manier die gemeenschappelijk aanvaardbaar is. Beschaving weerhoudt ons maar zelden van gesnuffel naar de prive-moraal van politici. Toch is de vraag of iemand zijn vrouw bedriegt met een callgirl van absoluut andere orde dan de vraag of hij zijn belastinginspecteur bedriegt met een aangiftebiljet. Het eerste ligt in de persoonlijke sfeer, het tweede niet. De noodzaak van een onderscheid tussen het persoonlijke en het publieke wordt misschien minder betwistbaar met een ander voorbeeld, dat van een man die vanuit zijn eigen culturele achtergrond sterk emotionele bedenkingen koestert tegen vrouwen die ongesluierd over straat lopen. In de persoonlijke sfeer zijn die gevoelens te eerbiedigen. In de publieke sfeer mag hij er niettemin niemand mee lastigvallen.

Zonder dit onderscheid valt over geen enkel aspect van burgermoraal te praten. Het installeert een neutraal beginsel, dat ieders fundamentele vrijheden (waaronder vrijheid van godsdienst) respecteert. De vraag is dan of het werkt, niet of het goed is of slecht. Geen enkele moraal is ooit goed of slecht, wel vaak nuttig. Daarom erkennen de grondwetten van democratische landen geen beroep op, of verwijzing naar, de beginselen van enige gegeven religie.

    • Marja Brouwers