Nederlandse lobby in Washington bescheiden en discreet

Tussen het Witte Huis en het Capitool houdt Philips kantoor. Maar Eindhoven is ver te zoeken. Op de deur staat 'North American Philips Corporation', met hoofdkantoor in New York. Dit is Amerika, hier werken Amerikanen. Het Nederlandse bedrijfsleven in de VS is discreet. En bescheiden in het lobbyen. Een inventarisatie.

Elke associatie met een bestaand Nederlands groot elektronisch bedrijf is geheel voor verantwoording van de bezoeker. “We zijn geen buitenlandse investeerder maar we zijn een Amerikaanse investeerder”, zegt Philips-lobbyist Randall Moorehead. Niet alleen het profile maar ook de omvang van de lobby voor Nederlandse bedrijven of bedrijfsdochters in de Verenigde Staten is bescheiden. Als investeerder staat Nederland met 67 miljard dollar aan Amerikaanse bezittingen op de derde plaats, na Engeland (104 miljard) en Japan (99 miljard). Toch lobbiet Nederland minder dan Duitsland (slechts 35 miljard dollar investeringen) en Frankrijk (29 miljard). Buitenlandse lobbyisten moeten zich krachtens een in 1938 aangenomen wet tegen nazi-propaganda laten registreren bij het ministerie van Justitie. Volgens cijfers van dat departement gaven de Nederlandse overheid en bedrijven in 1992 vier miljoen dollar uit aan lobbyen, terwijl Duitsland en Frankrijk ieder 13 miljoen dollar spendeerden. Deze cijfers geven alleen een idee van de verhoudingen, want de werkelijke bedragen zijn vele malen hoger dan de officieel geregistreerde.

Het is moeilijk om de precieze grootte van een lobby te achterhalen. Een fabrieksdirecteur, die het Congres bezoekt, staat niet geregistreerd als lobbyist. Lobbyisten voor dochters van buitenlandse bedrijven hoeven zich ook niet in te schrijven bij Justitie. Een lobbyende advocaat hoeft zich ook niet te laten registreren als het merendeel van zijn werk niet uit lobbyen bestaat. Het lobbywerk bevindt zich op een verglijdende schaal van het zuiver proberen te beïnvloeden van politici en hoge ambtenaren tot meer neutrale bezigheden zoals public relations of juridisch werk.

ING, Philips, Shell en Unilever hebben vaste lobbyisten in Washington, die de wetgeving volgen en waar nodig beïnvloeden. Veel andere bedrijven lobbyen op tijdelijke basis als in Washington bij het Congres of andere overheidsinstanties hun belangen op het spel staan. David Carlberg, lobbyist voor Duphar en voor Delft Instruments: “In Amerika moet je er snel bij zijn. Als ze eenmaal een nieuw wetsvoorstel hebben aangenomen, waar je economische schade van ondervindt, kun je er weinig meer aan doen.”

Volgens Tom Schaumburg, advocaat van Akzo, hadden buitenlandse bedrijven zich meer moeten bemoeien met de verandering van de wetten tegen het dumpen van buitenlandse goederen. Tegen Akzo loopt nu een antidumpingzaak, waar al forse voorlopige boetes zijn geheven. “Er zijn nu geen buitenlandse bedrijven die deze wetten proberen te beïnvloeden. Ze praten met hun eigen overheden en niet met de wetgevers hier. Amerikaanse bedrijven zijn hier nu juist wel heel actief. Als ze later in moeilijkheden komen zullen ze zich afvragen: waar waren wij, toen deze wetten werden geschreven?”, zegt hij. In het gigantische bureaucratische apparaat van de Amerikaanse federale overheid worden belangen, die niet door een lobby zijn vertegenwoordigd, nauwelijks gehoord. Jeffrey Birnbaum, schrijver van het boek “The Lobbyists” schat het totaal aantal lobbyisten in Washington op 80.000.

Het bescheiden Nederlandse aandeel in de geregistreerde buitenlandse lobby ligt deels aan het soort belang dat wordt vertegenwoordigd. De defensiegoederen en Airbusvliegtuigen uit Frankrijk en Duitsland vangen meer politieke tegenwind dan Heineken bier of zelfs de kleine Fokkertoestellen. Met een aandeel van slechts zes procent van de totale Nederlandse export is Amerika geen belangrijke exportmarkt voor Nederlandse goederen. Amerika heeft liever buitenlands kapitaal dan buitenlandse produkten. Een groot deel van de Nederlandse investeringen komt op het conto van één enkel bedrijf, de Nederlands-Britse Shell. Zo'n 20 miljard van de Nederlandse investeringen zijn ook door bedrijven uit derde landen gedaan, die gebruik maken van Nederlandse belastingfaciliteiten voor investeerders in Amerika. Daarbij maken de Nederlandse investeerders zich zo onzichtbaar mogelijk, waardoor ze minder problemen oproepen. In tegenstelling tot Japanse ondernemers bemoeien ze weinig met het dagelijkse bestuur van hun buitenlandse dochters.

Nederlandse bedrijven varen vaak onder de vlag van grotere lobby-organisaties. North American Philips liet haar belangen bijvoorbeeld voornamelijk vertegenwoordigen door de Electronics Industries Association. Pas in 1986 is daar een eigen lobby bij gekomen. North American Philips heeft ook geld gegeven aan het op bescherming van binnenlandse Amerikaanse economische belangen ingestelde Economic Strategy Institute. Jong is de Europese Kamer van Koophandel in Washington, een lobbykantoor dat in 1990 mede is opgericht door Ahold, ING-bank, Akzo en Philips. Er zitten ook Amerikaanse multinationals bij met belangen in Europa. Deze instelling was een initiatief van de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel in New York. Het Institute for International Bankers (jaarlijkse lobbybegroting twee tot vijf miljoen dollar) biedt onderdak aan veel Nederlandse banken en is mede gesticht door de voormalige Amrobank.

Net zoals andere Europeanen moesten ook Nederlanders wennen aan het idee van grootschalig lobbyen, in de zin van het beïnvloeden van de wetgeving of van de regering van een ander land. In het begin was er enige schroom. De Japanners, die door hun exportsuccessen een vijandig politiek klimaat aantroffen, moesten al veel eerder hun toevlucht nemen tot lobbyisten. “Naarmate er meer problemen zijn, zijn er meer advokaten en lobbyisten nodig”, zegt David Dunn, lobbyist bij Patton, Boggs en Blow.

“Voor Nederlanders was lobbyen een vreemd begrip”, zegt de uit Nederland afkomstige Loet Veltmans, die in 1986 pensioneerde als voorzitter en president-directeur van de vooraanstaande firma voor public relations en lobby, Hill and Knowlton. Volgens Veltmans hebben Nederlanders, net als de Engelsen, veel goodwill in Amerika. “Amerikanen zeggen vaak tegen mensen uit Nederlandse organisaties You are my favorite European. Duitsers en Japanners voelen dat ze iets extra's moeten doen om zich te laten accepteren.”

Nederlandse ondernemers hebben hun goede naam misschien ook te danken aan het feit dat ze gewend zijn om hun nationale identiteit zoveel mogelijk te onderdrukken. Buitenlandse belangen hebben een negatieve klank in Washington. De miljardair-populist Ross Perot voerde een campagne tegen 'buitenlandse lobbyisten in schoenen van krokodillenleer'. Buitenlandse lobby moet discreet geschieden. “We willen zoveel mogelijk uit de krant blijven”, zegt James Rich, lobbyist van Shell. “Dat betekent niet dat we niet heel actief zijn. Als Shell wordt geschaad gaan we in de hoogste versnelling maar niet in de media.” Rich schuwt de media omdat Shell niet Amerikaans maar Nederlands- Brits is.

Bedrijven als Philips, ABN-Amro, Unilever, ING of Amev laten de identiteit van hun Amerikaanse dochters zoveel mogelijk intact. Zij kunnen rekenen op de steun van Congresleden, die de dochterbedrijven in hun district hebben. Het buitenland als zodanig vertegenwoordigt geen kiezers, dus interesseert Congresleden niet zo. Dat merkte KLM toen het met de Nederlandse ambassade lobbyde voor een verdrag tussen Nederland en Amerika voor vrij luchtverkeer. Omdat Nederland maar weinig binnenlandse luchtvaartlijnen aan Amerika heeft te bieden, kwam het verdrag neer op een ruil tussen een fiets en een Rolls Royce. Maar de KLM en de Nederlandse overheid kregen plotseling krachtige steun van een derde partij: Northwest Airlines, waar KLM een 50 procent economisch eigenaar van is en 12 procent stemrecht heeft. Zo kwam het voor Nederland en voor Northwest voordelige verdrag er toch door. De internationale verwevenheid werkt ook de andere kant uit, namelijk dat Nederland belangen behartigt voor niet-Nederlandse bedrijven. De Nederlandse ambassade heeft zich ingezet voor het Japanse Fuji, dat in Tilburg een fabriek voor fotopapier heeft. Het Amerikaanse Kodak wilde aan de produkten van deze fabriek een nieuwe heffing laten opleggen.

Vorig jaar verscheen het gezicht van North American Philips-lobbyist Moorehead op een nationaal televisieprogramma dat de invloed van lobbyisten op Congresleden aan de kaak stelde, een ongebruikelijke high profile voor een Nederlandse bedrijfsdochter. De Electronic Industries Association had toen Amerikaanse Congresleden en hun echtgenoten uitgenodigd om tijdens een feestelijk, vierdaags reisje naar Zuid-Florida op het golfveld de problemen van de elektronische industrie door te nemen. Thema's van de korte ochtendvergaderingen waren conversie van defensiegerichte naar consumentgerichte industrie, energiebeleid, gebruik van lood in elektrische produkten (moet wel volgens producenten, mag niet volgens milieu-activisten) en de verondersteld schadelijke werking van elektromagnetische velden (niet waar, vinden producenten van elektrische scheerapparaten zoals Philips).

Voor de elektronicalobbyisten was de deelname aan de conferentie in Florida van groot belang. Bij recepties, feestjes en in de elektrische golfkar worden in Washington veel zaken gedaan. Hoogwaardigheidsbekleders, die anders pas na dagen bellen en soebatten zijn te bereiken, kunnen daar spontaan worden aangesproken. Bovendien is een functionaris met een spaatje of een whisky in de hand (waar hij meestal de hele avond over doet) wat losser. Anders dan in zijn kantoor hoeft hij zich niet voortdurend af te vragen of hij die informatie wel qualitate qua kan geven.

De spontane contacten zijn de smeermiddelen voor wat anders een totaal geïmmobiliseerde en onafzienbare federale bureaucratie zou zijn. Bij elk feest houden de aanwezigen de rang en de macht van de ander nauwkeurig in de gaten. Een belangrijk personage krijgt veel tijd en aandacht, bij iemand van minder belang haakt men snel af, op zoek naar de volgende persoon, met wie misschien zaken zijn te doen. Een receptie is een markt van schaarse tijd en er wordt op invloed geklokt.

De meeste tijd van een lobbyist gaat niet op aan het bepraten van machtige mensen maar aan het verwerven en verspreiden van informatie. Sommige lobbyisten zijn vrijwel uitsluitend in informatieverwerving gespecialiseerd. Een goed lobbyist houdt de relevante wetgeving of de nieuwe overheidsregels in de gaten. Hij luncht en dineert met kennissen in de overheid, volgt seminars en probeert bij belangrijke feesten binnen te komen. Als er op zijn werkterrein nieuwe wetsinitiatieven zijn, speelt hij de informatie door naar zijn cliënt. Lobbyisten leven van hun goede persoonlijke contacten. Ze hebben vrienden in de overheid, zijn misschien zelfs Friends of Bill (Clinton) of kennen iemand die bij hen nog in het krijt staat.

De meeste lobyisten hebben zelf bij de overheid gewerkt als functionaris of als Congreslid. Zo kon Fokker over een voormalig politicus beschikken. “We zullen ook de voormalige staatssecretaris voor Transport, Edward R. Hamberger, laten werken in deze zaak, die 250 dollar per uur in rekening brengt”, beloofde J.E. Murdock van het lobbykantoor van voormalig Senator Howard Baker aan Fokker, toen het in 1992 wilde voorkomen dat voor Fokkervliegtuigen extra procedures voor het ijsvrij maken van vleugels zouden worden ingevoerd. Als het echt moeilijk zou worden, zou The Senator zelf zich ermee bemoeien.

De voormalige Amerikaanse ambassadeur in Den Haag, William Dyess, heeft in 1986 en 1987 voor het Nederlandse Stevedore Company Quick Dispatch de wetgeving over de export van auto's van Amerikaanse militairen in Duitsland en Nederland bijgehouden. Behalve Bremerhaven moesten daar ook Nederlandse havens voor in aanmerking komen. Daf laat zich in Washington door het lobbybedrijf Ipac vertegenwoordigen om overheidscontracten voor licht gepantserde voertuigen te krijgen.

“In Amerika is de politieke macht meer open en volwassen dan in Europa”, zegt lobbyist Dunn. “De man met het grootste marktaandeel wint de verkiezingen. Informatie is macht. Een groot bedrijf kan met veel geld veel informatie kopen en de boodschap op een overtuigende manier overbrengen. Toch wint het geld niet altijd, want er zijn ook machtige publieke belangengroepen.” Lobbyisten proberen voorstellen, die hen ongelegen uitkomen tegen te houden. “Het is gemakkelijker om een wetsvoorstel te doen sneuvelen dan om het te laten aannemen”, zegt Shell-lobbyist James Rich.

Ook de Nederlandse ambassade, waar het economische werk steeds belangrijker wordt, onderhoudt veel contacten met lobbyisten. Een Nederlands diplomaat zit gemiddeld slechts vier jaar in Washington en als hij vertrekt neemt hij de opgedane kennis en contacten, persoonlijke diensten en wederdiensten grotendeels mee. Vandaar dat diplomaten vaak de hulp van ervaren lobby-advocaten inroepen. Dergelijke advocaten vragen voor hun diensten meestal geen geld, want ze kunnen via contacten met de ambassade vaak weer aan nieuwe Nederlandse cliënten komen.

Van 1982 tot 1984 heeft de Nederlandse ambassade voor het eerst sinds lange tijd afgeweken van de gewoonte om het zonder betaalde advocaten te doen. Voor 75.000 dollar had de ambassade advocaten van de befaamde firma Wilmer, Cutler en Pickering in dienst genomen om te lobbyen tegen Californische plannen om buitenlandse bedrijven te belasten naar een percentage van hun wereldwijde inkomen (Unitary Tax), ook al hebben die bedrijven verlies gemaakt in Californië. Niemand minder dan de vermaarde Lloyd Cutler zelf, voormalig juridisch adviseur van het Witte Huis en inmiddels weer in die functie, vertegenwoordigde Nederland als amicus curiae in een zaak voor het Amerikaanse Hoge Gerechtshof.

De landbouwraad op de ambassade kan al geruime tijd samenwerken met een vaste lobbyist, Gordon Smith, maar die wordt betaald door de Nederlandse tuinbouwsector. Smith kon afgelopen maand op de Nederlandse ambassaderesidentie in Washington ter gelegenheid van het 400-jarige bestaan van de tulp in Nederland de geslaagde uitreiking aan Hillary Clinton van een naar haar vernoemde tulp tot stand brengen. Ter gelegenheid van het 400-jarige bestaan van de tulp in Nederland. Een dergelijk evenement is de droom van iedere ambassadeur in Washington. Smith werkte volgens een typisch Washingtons patroon. Hij kende iemand, die sterk bevriend was met een belangrijk staflid van Hillary. Dit was het onmisbare steuntje in de rug voor de officiële uitnodiging van de Nederlands ambassadeur, mr. A.P.R. Jacobovits de Szeged.

Omstreden is de financiering van de verkiezingscampagnes van Congresleden. In een Politiek Actiecomité worden de persoonlijke bijdragen van werknemers van een bedrijf gebundeld. Een zogenoemd Pac mag 5000 dollar per jaar aan een campagne geven. “Lobbyen zonder PAC is net als vechten met je handen op de rug gebonden”, zegt Shell-lobbyist James Rich. Shell Oil heeft al sinds halverwege de zeventiger jaren een Pac. North American Philips heeft pas in 1989 een eigen Pac opgericht, volgens Philipslobbyist Thomas Patton onmisbaar. “Het hele jaar door vragen we de Congresleden van alles en nog wat en dan moeten we die ene keer dat ze van ons wat vragen nee zeggen? Die mensen helpen ons”, zegt hij. Nog vijf andere Nederlandse bedrijven hebben Amerikaanse dochters met Pacs, die in de afgelopen tien jaar totaal twee miljoen dollar aan verkiezingskassen van Congresleden hebben bijgedragen.

De Nederlandse lobby is, met de buitenlandse lobby mee, de laatste tien, vijftien jaar enorm gegroeid. De internationale economische verwevenheid en de concurrentie in Amerika is toegenomen en daarmee de politieke druk om Amerikaanse banen te redden of om buitenlandse investeerders een centje extra te laten betalen. “Men kijkt graag naar het buitenland om de middelen op te hikken”, zegt een ingewijde, die zich met Nederlandse belastingzaken bezighoudt. “Clinton is gekozen voor zijn binnenlandse agenda. Hij kijkt waar geld kan worden verdiend en dat is in het Amerikaanse bedrijfsleven.” Buitenlandse belastingspecialisten letten nu scherp op, waar Amerika de 12 tot 13 miljard dollar aan gederfde douane-inkomsten ten gevolge van het nieuwe Gatt-wereldhandelsverdrag wil binnenhalen.

Dergelijke Nederlandse lobby-activiteit was er ook toen het Amerikaanse Congres eind negentiende eeuw de invoerrechten wilde verhogen, zo blijkt uit een recent proefschrift over de Nederlandse Kamer van Koophandel van Dr. Walter Saltzmann. Onder leiding van gezant Von Weckherlin bewerkten Nederlandse exporteurs met hun Amerikaanse vertegenwoordigers de Senaat. “Terwijl de vertegenwoordigers van de beide chocoladefabrikanten Bensdorp en Van Houten, het comité van Bollenimporteurs en vertegenwoordigers van de tabakshandel en de Holland-Amerika Lijn publiekelijk het Congres bewerkten, probeerde Von Weckherlin tot gemeenschappelijk optreden met de vakbonden te komen”, aldus Saltzmann in zijn proefschrift.

De Nederlandse bollenteelt en cacao-industrie stuiten tegenwoordig op weinig problemen in Amerika. Anders ligt het met de elektronica, die politiek zeer gevoelig ligt. Philips was als enig niet-Japans bedrijf uit een geheime lijst van 36 uitgekozen om met alle boeken op tafel te komen, omdat de Amerikaanse belastingdienst wil kijken of er geen winsten worden verdoezeld. Dit onderzoek stamt uit een oud plannetje van presidentskandidaat Clinton om de overheidskas aan te vullen met 45 miljard aan vermeend belastinggeld dat door buitenlandse, met name Japanse bedrijven zou worden achtergehouden. Inmiddels worden de regels voor het onderzoek herschreven zodat Philips de dans ontspringt.

Verder volgt Philips gevoelige zaken zoals HDTV-onderzoek. Omdat North American Philips anders dan veel Amerikaanse bedrijven zoveel in Amerika produceert komt het in tegenstelling tot Japanse elektronica-firma's in aanmerking voor onderzoekssubsidies. Voor die subsidies heeft Philips hard gelobbyd. Senator Ernest Hollings kreeg bezoek van een Philipsdirecteur uit zijn eigen deelstaat South Carolina. “Als u North American Philips buiten sluit, verliezen 5000 Amerikanen in uw deelstaat hun baan”, was de enigszins gechargeerde boodschap. “Misschien bent u wel een Amerikaans bedrijf”, antwoordde Hollings. “Maar hoe houden we de Japanners buiten de deur?”. Daar hadden Philipslobbyisten hadden wel een goede formulering voor bedacht die letterlijk in de wet kon worden opgenomen. En zo had de lobby haar kosten terugverdiend.

Nederlandse bedrijven en hun Amerikaanse dochters die een PAC (Politiek Actiecomite) hebben. De vermelde bedragen staan voor wat zij in de jaren '91 en '92 hebben uitgegeven.

Bedrijf/dochter met PAC91/92

ABN-AMRO Lasalle$ 35.000

Aegon Aegon USA- 14.500

AMEV Fortis- 23.000

ING Georgia US- 26.000

ING Security Life- 27.000

Philips N.A. Philips- 68.000

Shell Shell Oil- 151.500

BRON: FEDERAL ELECTION COMMITEE

In totaal hebben de 'Political Action Commitees' van dochters van Nederlandse bedrijven de afgelopen tien jaar meer dan 2.000.000 dollar gedoneerd aan de verkiezingskassen van voornamelijk Congresleden die herkozen wilden worden.

========================

Enkele voorbeelden van Nederlands Lobbyen. De kosten zijn gebaseerd op openbare cijfers van het departement van justitie.

Delft Instruments besteedde tussen 1991 en 1994 330.000 dollar aan lobbyen met als doel opheffing van handelsrestricties die naar aanleiding van twee tijdens 'Desert Storm' bij Irakezen gevonden nachtkijkijkers waren opgelegd.

ING besteedde in 1993-94 145.000 dollar aan een algemene juridische vertegenwoordiging, het bijhouden van wetgeving en 'waar nodig dit beinvloeden'.

Duphar gaf tussen 1987 en 1993 1,5 miljoen dollar uit voor het verwerven van overheidscontracten, en 'algemene vertegenwoordiging in Washington'.

Fokker bestedde van 1992 tot 1993 118.000 dollar aan 'regelgeving van verschillende instanties en wetgeving van het congres bijhouden en beinvloeden'.

De Nederlandse bloembollen-lobby gaf tussen 1988-1990 350.000 dollar met als doel: Regelgeving van verschillende instanties en Veilingenwetgeving van het congres bijhouden en beinvloeden.

Boskalis. Uitgave van 48.000 dollar (van 1990 tot 1991) met als doel: Baggerwetgeving proberen tegen te houden en/of beinvloeden.

Elsevier besteedde van 1981 tot 1985 670.000 dollar teneinde de handel in medische uittreksels veilig te stellen via het Congres.

De Nederlandse ambassade gaf tussen 1982 en 1984 75.000 dollar uit om belasting-wetgeving in Californië tegen te houden.

Nedlloyd probeerde in 1988 restrictieve maritieme regelgeving te veranderen. Kosten 74000 dollar.

========================

Hieronder volgt een lijst van Amerikaanse dochters van Nederlandse bedrijven met een vaste lobbyist in Washington. Naast deze permanente vertegenwoordiging worden voor verschillende opdrachten andere lobby/advocatenbureaus ingehuurd.

ING. Een lobbyiste coordineert de lobby-activiteiten voor de verzekeringsdochters van ING. Geschatte jaarlijkse kosten: 300.000 dollar.

Philips. Twee lobbyisten vertegenwoordigen 'North American Philips Coorporation' (en soms direct Philips Einhoven), een van de twee beheert het Politieke Aktiecomité . Geschatte jaarlijkse kosten: 1.000.000 dollar.

Shell. Vier vaste lobbyisten vertegenwoordiggen de Amerikaanse dochter Shell Oil. Geschatte jaarlijkse kosten: 2.500.000 dollar.

Unilever. Een lobbyist coordineert de lobby-activiteiten voor de Amerikaanse dochters van Unilever. Geschatte jaarlijkse kosten: 500.000 dollar.