GOUDVIS

Zij was de begeerlijkste vis in de vijver waarin ik al jaren met onverminderde hartstocht viste. Met verschillende genres aas, steeds geraffineerdere schijnbewegingen, in alle soorten weer.

Vaak beet gehad, maar ook brak wel eens voortijdig de lijn, voordat de gejaagde vis in mijn schepnet belandde, en liep ik een blauwtje. Zij flitste vrolijk van voerplek naar voerplek maar eindelijk had ik de juiste melange te pakken en nu zou ze in mijn uitgestoken netje springen. Ik hoorde een autodeur dichtslaan, gevolgd door het tikken van naaldhakken over het tuinpad. Haar zachte vin drukte op de deurbel en even later stond ze binnen, mijn heerlijk geurende roodharige goudvis. We gingen het eindelijk doen, daar was geen ontkomen meer aan, en een paar minuten later, na een glaasje en een praatje en een glaasje vouwde ik de verse lakens voor haar open. Het fileren en pocheren kon eindelijk beginnen. Op dat moment klonk er buiten een geweldige klap, een of misschien twee seconden later een tweede. Nou brak er wel vaker een straaljager door de geluidsbarriere, maar dat ging nooit gepaard met het geluid van krakend glas en sissende stoom. Ik legde mijn blote goudvis weer voorzichtig onder de lakens, sloeg een handdoek om en liep naar het raam om te kijken wat er buiten aan de hand was. Het had licht gesneeuwd, niets aan de hand, maar het was blijkbaar wel een onoverkomelijk probleem geweest voor de bestuurder van de auto die met volle snelheid tegen de achterkant van mijn keurig geparkeerde auto was geslipt. Die was daardoor afgevuurd en lag in de missionarissenhouding boven op het boodschappenautotje van mijn goudvis. Van de achterste auto was de voorkant verdwenen, de ovale wielen lagen plat op het asfalt. Mijn auto was in tweeen geknakt en van de hare was de bovenkant verdwenen. Er klonk het kraken van een ontzet portier en er stapte een oude man uit het wrak die zijn bril met jampotglazen op de neus rechtzette, de lange zwarte jas afklopte, de afgeslagen hoed van het dashboard griste en hem weer op het kale hoofd posteerde. Verdomd, het was de immer zuur kijkende ouderling die ik elke zondag, met aan de arm zijn stevige vrouw, naar de kerk zag lopen. Hij overzag de schade, krabde onder zijn zwarte hoed en sprak de onsterfelijke woorden: Die heb ik nie sien stoan...! De door God gezonden kloot had mijn vismiddag verknald, de lijn was door zijn ongevraagde ingreep geknapt. Rillend in mijn handdoek besefte ik dat dit niet meer goed te maken was, al het voorbereidende werk was ditmaal voor niets geweest. De takelwagen trok de wrakken uit elkaar en laadde ze op een oplegger. Mijn goudvis verwijderde zich, voorgoed, in een taxi

    • Freddy Rikken