Eigendunk en racisme leggen het af tegen oprechte liefde kunst

Metisse. Regie: Mathieu Kassovitz. Met Julie Mauduech, Mathieu Kassovitz, Hubert Kounde. Amsterdam, Kriterion; Utrecht, Springhaver; Nijmegen, Cinemarienburg.

Ze heet Lola, ze is achttien, ze is prachtig en ze krijgt gasten: twee twintigjarige mannen hebben zich samen in een krappe lift geperst, allebei onhandig een bos bloemen hanterend, allebei vol onblusbaar verlangen. Twee wijsvingers strekken zich uit naar de bel, en twee hoofden constateren verbaasd die tweede vinger in dezelfde richting. Tot aan dat moment dachten ze van de ander dat hij niet kon bestaan.

Wie zijn klassieken kent, herkent na een fractie van Metisse de wortels ervan. De nerveuze, nu eens documentaire, dan weer videoclip-impressionistische stijl van filmen en monteren, de onbekommerde humor over rassentegenstellingen en astrant hanengedrag, de voorliefde voor een asfaltlandschap, de rol van de regisseur zelf als energieke jongens-man, het verhaal over een vrouw die haar minnaars tot wanhoop brengt door te weigeren om definitief te kiezen voor een van hen - dat alles en nog veel meer brengt ondubbelzinnig She's Gotta Have It in herinnering, de film waarmee Spike Lee in 1986 doorbrak en de psychologie van de zwarte gemeenschap in de VS monopoliseerde als zijn vaste onderwerp.

Schrijver en regisseur van Metisse, de jonge Fransman Mathieu Kassovitz, maakte geen geheim van zijn inspiratiebron. Klakkeloos liet hij de naam van zijn hoofdpersoon Lola rijmen op die van Lee's Nola en het door hemzelf gespeelde personage, dat in motoriek, levensstijl en karakter een evenbeeld is van Lee, krijgt te horen dat hij niet zo moet doordraven: “Je bent Spike Lee niet”.

Mathieu Kassovitz bewijst met Metisse dat hij inderdaad Spike Lee niet is, maar een autonoom filmmaker die blijkbaar zoveel talent heeft dat hij zich op zijn vijfentwintigste al de weelde kan permitteren onverhuld een Groot Voorbeeld te koesteren. Hij nam Lee's stijl en verhaal als uitgangspunten voor iets eigens, te beginnen met het decor. Was dat bij Spike Lee een zwarte buurt in New York, in Kassovitz' Parijs kan het niet anders zijn dan een chaotisch nest met een wirwar van rassen. Lola is Antilliaanse, haar ene minnaar, Felix, een druktemaker en van orthodox-joodse huize, haar andere geliefde, de student Jamal, is de dure zoon van een zwarte diplomaat.

We zijn acht jaar verder sinds She's Gotta Have It, wat Kassovitz aangreep om de door Lee bedachte geschiedenis te kantelen en erop door te denken. Anders dan haar voorgangster heeft Lola niet drie maar twee minnaars. De vrijheid om als vrouw te doen en te laten wat ze wil en met wie hoeft ze niet te bewijzen, die heeft Nola bevochten in de jaren tachtig, die spreekt nu vanzelf. Lola gaat een stap verder: ze verwacht een kind, ze weet niet van wie van haar twee minnaars en weigert zich te interesseren voor de identiteit van de vader. Zij houdt van beiden en wie van haar houdt zal haarzelf en haar, nee hun kind nemen zoals het is, vindt ze. Blank of bruin, joods of Afrikaans, dat dondert niet, metisse, van gemengd bloed, zal het sowieso zijn.

Na de te verwachten jaloerse schermutselingen en een amusante stortvloed van op elkaars identiteit inspelende beledigingen over en weer, kiezen de mannen voor een platonische menage a trois. Eigendunk en racisme schrapt Kassovitz romantisch-utopisch weg tegen oprechte liefde en, meer nog, tegen de geboorte van het nieuwe leven waar elk van de drie op een specifieke manier debet aan is. Is de baby er eenmaal, dan lijkt zijn herkomst er, getuige de verzaligde gezichten van het tussen de doeken glurende drietal, althans voor dit moment niet toe te doen.

Kassovitz creerde Metisse uit talloze kleine scenetjes. Grote lijnen, een greep op zijn verhaal, ze interesseerden hem maar matig. Al die losse stukjes liggen hem meer elk afzonderlijk na aan het hart dan dat hij het verhaalverloop van zijn film ermee aan elkaar puzzelde tot een consistent geheel. Liever vestigde hij karakters en types, liever verkocht hij geanimeerde, sympathieke grappen, die hij zo te zien gnuivend bedacht, liever riep hij een sfeer op die hem trof. Een sabbat-maal tekent hij door een keppeltje met Bert en Ernie erop geappliqueerd, door een ontroerende dronken dans van de grootvader tussen buffet en eettafel en door de krans van rimpels op het gezicht van de grootmoeder die, vertrouwt ze Lola in de keuken toe, alleen uit overwegingen van folklore de grove jiddische moeder uithangt. In zijn met spot uitgedrukte liefde voor zulke details lijkt hij weer meer op Spike Lee dan hij zich misschien realiseert.

    • Joyce Roodnat