Een blauwe maandag voor de kunst

Wat zou u doen als u een dag minister zou zijn? Deze vraag legde de redactie economie voor aan een aantal lezers met het oog op de Tweede-Kamerverkiezingen en de vorming van een nieuw kabinet. De keuze was vrij: een dag minister van Financiën of van Economische Zaken of van Sociale Zaken. Vandaag de vierde bijdrage - van de directeur van een orkest.

Maandag 6 juni 1994.

08.15 De chauffeur belt aan. Op weg naar Den Haag neem ik de ochtendbladen door. Eerst de kunstpagina's, daarna het financiële katern.

09.05 Hartelijke ontvangst op het ministerie van Financiën. Ik houd het kort, want deze dag heeft maar acht werkuren. Vanavond zit ik weer bij mijn Concertgebouworkest.

09.30 Allereerst bel ik mijn collega van WVC en zeg dat de portefeuille van Cultuur voor de komende vier jaar onder verantwoordelijkheid van Financiën valt.

10.15 Mijn tweede offfiële handeling is, de thesaurier-generaal opdracht verstrekken de obligate meevaller van vier miljard gulden in het verkiezingsjaar 1998 volledig te reserveren, voor het door mij in te stellen Financieringsfonds Kunstbedrijven (FK).

10.30 Stap drie. Ik stel de president van de Nederlandse Bank in kennis van mijn voornemen dit bedrag door een consortium te laten voorfinancieren, in de vorm van een achtergesteld krediet. Af te lossen over een periode van twintig jaar.

11.15 Kopje koffie met mijn direct betrokken ambtenaren. Zij zullen deze ochtend nog de opcenten op de prijs van het aardgas moeten berekenen, welke nodig is om nog vóór de volgende kabinetsperiode de ontbrekende vier van de noodzakelijke acht miljard FK-gelden te genereren.

12.00 De rode telefoon. Dat zal de MP zijn. Die is natuurlijk gebeld door z'n partijgenoot van de Bank. “Of ik gek geworden ben”, vraagt ie, “straks komt iedereen om zo'n Egyptische vleespot.” “Wim”, zeg ik, “luister. Thans doen wij het aldus. Om ze marktgerichter te laten werken, verkleint de lands- en gemeentepolitiek het cultuurbudget elke vier jaar. En als er kunstinstituten zijn die door hun artistieke kwaliteiten commerciële gelden weten aan te boren, korten wij die later nog eens extra. Om te kijken tot hoever we kunnen gaan. Dat cynische practicum begint op te vallen, Wim. En je weet hoe het is met kunstenaars. Lastige mensen zijn 't, en in hun abstracte gezever hebben zij altijd de pers mee. Dat hinderlijke gezanik is voor altijd afgelopen, als wij eenmalig acht miljard voor de cultuur voteren. Die zetten wij uit tegen - conservatief gecalculeerd - vijf procent. Bij de start bepalen we, wie welk stukje van die cake krijgt en klaar is Kees. Wie meer nodig heeft, genereert het maar op de vrije markt en wie niet met z'n pie-slice uit de voeten kan, verdwijnt maar van het podium. Neem nu het Koninklijk Concertgebouworkest. Voor zo'n tweehonderd en tachtig miljoen aan actief vermogen is ons culturele vlaggeschip qua overheidssteun voor altijd geborgen. Dat is ongeveer de helft van het bedrag dat in de afgelopen kabinetsperiode bij het ministerie van VROM spoorloos verdween!” MP zucht en zegt advies te zullen vragen aan HAFMO en Bolk.

13.15 Tring..... Wim weer. “Kun je mij verzekeren, dat jouw plan niet ten koste gaat van de minst draagkrachtigen in de samenleving?”, vraagt-ie. Ik stel hem gerust met het volgende: “Kunst heeft nu eenmaal een maatschappelijk draagvlak dat vertraagd tot stand komt. Kunst en economie is dus nooit boter bij de vis. Bovendien eist de één onvoorwaardelijke toepassing van het profijtbeginsel, terwijl de ander volledige bescherming van de kunst propageert. Die discussie is dus in geen enkele coalitie te winnen. Welnu, deze politieke booby-trap wordt met mijn voorstel voor immer ontmanteld. En jij Wim, jij treedt in het voetspoor van Wibaut. Jij gaat de geschiedenis in, als de man die de culturele verheffing van de massa handen en voeten heeft gegeven.” Even is het stil. Dan antwoordt MP: “Ga maar naar huis, Willem. We doen het!”