Werkgevers wijzen nullijn voor 1995 af

DEN HAAG, 26 APRIL. Het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) wijst een centraal akkoord met de vakbeweging over een nullijn voor 1995 af.

NCW-voorzitter J.C. Blankert en algemeen directeur J. Weitenberg wezen er gisteren op dat de eind vorig jaar in de Stichting van de Arbeid tussen vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers gemaakte afspraken over “een nieuwe koers voor het CAO-overleg” voor de hele jaren negentig zijn bedoeld. Daar dan weer overheen gaan met een nieuw centraal akkoord schept volgens het NCW verwarring en werkt niet goed.

Het NCW verzet zich met name tegen de door de PvdA-bewindslieden Kok en Wallage aangehangen “uitruil” van lastenverlichting tegen een nullijn voor de lonen. Volgens Weitenberg “doet een dergelijk appèl geen recht aan de verantwoordelijkheidsverdeling zoals we die de afgelopen tien, twaalf jaren in Nederland hebben gekregen”. Volgens Weitenberg zijn de centrales van werkgevers en werknemers “niet bij machte een afruil tussen loonmatiging en lastendruk voor hun rekening te nemen”. Het primaat bij de onderhandelingen ligt volgens hem bij de vakbonden en werkgeversvertegenwoordigers die CAO's afsluiten, dus op het niveau van de bedrijven en bedrijfstakken.

Volgens het NCW hebben Kok en Wallage met de door hen voorgestelde uitruil “niet alleen het oog op meer werkgelegenheid, maar vooral op de koopkracht van ambtenaren en uitkeringsgerechtigden”. De PvdA heeft volgens het NCW immers aangekondigd dat de stijging van de uitkeringen volgend jaar weer geheel of gedeeltelijk moet worden gekoppeld aan die van de bruto lonen. Het om die reden pleiten voor een nullijn voor de lonen is volgens de werkgevers “oneigenlijk”.

De christelijke werkgevers benadrukken voorts dat CAO-lonen zestig procent van de totale loonkosten uitmaken. Andere belangrijke bestanddelen van de loonkosten zijn VUT, pensioen, arbeidsduur, flexibiliteit en kosten van verzuim. Door bijvoorbeeld vrije dagen of VUT in te ruilen voor meer loon kunnen de bruto lonen stijgen, terwijl de loonkosten toch gelijk blijven, zo stelt het NCW. Een goede concurrentiepositie is volgens de werkgeversorganisatie gebaat met het centraal stellen van de totale loonkosten en niet met een “fixatie van politici op een nullijn voor de CAO-lonen”.