Van Thijn steunt korpschefs na gesprek over IRT

AMSTERDAM, 26 APRIL. De politietop van Amsterdam en Utrecht hoeft van minister Van Thijn (binnenlandse zaken) niet op te stappen.

Na gesprekken met betrokkenen over de opheffing het interregionale rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT) heeft Van Thijn gisteren zijn vertrouwen uitgesproken in de omstreden korpschefs E. Nordholt (Amsterdam) en J. Wiarda (Utrecht) en de Amsterdamse commissaris J. van Riessen.

De onderzoekscommissie-Wierenga kwam vorige maand tot het oordeel dat de Amsterdamse betrokkenen overhaast en ten onrechte het IRT hadden opgeheven. Een 'omstreden werkmethode' werd door Amsterdam als reden voor de opheffing van het gezamelijke rechercheteam genoemd, maar de commissie concludeerde dat de werkelijke oorzaak een competentiestrijd tussen de politiekorpsen van Utrecht en Amsterdam was.

Commissaris Van Riessen zou volgens de commissie “ernstig tekort zijn geschoten”, terwijl Nordholt “weinig doortastend optreden” werd verweten. Korpschef Wiarda bracht zichzelf in opspraak door te verklaren het IRT was opgeheven wegens corruptie in het Amsterdams politiekorps. De enige concrete stappen die de politieminsters Van Thijn (binnenlandse zaken) en Hirsch Ballin (justitie) evenwel in het Kamerdebat over het IRT wilden toezeggen, was een serie 'functioneringsgesprekken' met de hoofdrolspelers in de affaire: onder meer de Nordholt en Wiarda, de hoofdofficier van justitie in Amsterdam Vrakking en procureur-generaal Van Randwijck.

Minister Van Thijn, vorig jaar als burgemeester van Amsterdam zelf medeverantwoordelijk voor de ontbinding van het IRT, concludeerde gisteren na de gesprekken dat bestuurders en korpsleidingen, “bereid zijn er alles aan te doen een vruchtbare samenwerking tussen alle betrokkenen in het ressort Amsterdam tot stand te brengen”. Hirsch Ballin moet nog een tweede gesprek voeren met Vrakking en Van Randwijck. Naar verwachting informeren de ministers eind deze week de Tweede Kamer. Pas daarna wil de Amsterdamse korpsleiding reageren op de uitspraak van Van Thijn.

De conclusie van Van Thijn is door de Nederlandse Politiebond (NPB) met “verbijstering” aangehoord. Bondsvoorzitter H. van Duijn sprak van een “toneelstuk met heel slechte acteurs”: “Het gaat ons er niet om dat Nordholt van zijn stoel wordt gelicht, maar om de vraag hoe het nu verder moet gaan tussen de korpsen.” Vorige week wees de NPB erop dat de samenwerking tussen de politiekorpsen door de IRT-zaak “zwaar onder druk” staat. Vooral de Amsterdamse recherche zou stuiten op onwil van andere recherchediensten om informatie uit te wisselen.

Ook de Algemeen Christelijke politiebond heeft kritiek op het handhaven van met name de Amsterdamse politietop. Alleen de Amsterdamse Politievakorganisatie is “blij dat de minister een stukje helderheid heeft geschapen”, aldus D.J. Bult van de APV.